Uta

 Friedrich Nietzsche groeide op in Naumburg, bezocht er de lagere school en het gymnasium. Hij moet dikwijls langs de Dom gelopen zijn waar de beelden van Uta en haar echtgenoot tot vandaag te zien zijn.

 Ze staan hoog en in het schemerduister, je kunt haar niet in de ogen zien. Hoe Uta von Ballenstedt er werkelijk uitzag weten we niet. Het beeld werd tweehonderd jaar na haar dood - als medestichter van de Dom - gemaakt door een naamloze beeldhouwer.

 Ze is de lokale beroemdheid waar alle bezoekers voor komen. Werd rond het jaar 1000 geboren en uitgehuwelijkt aan Ekkehard. Kinderen kreeg ze niet.

 Haar gezicht is in Duitsland altijd op de achtergrond aanwezig. Geen ander land kent een vergelijkbare patrones die tegelijk een levende vrouw is. Mijn vader, die Duits studeer­de had haar op zijn bureautje staan. De Nazi's zagen in haar het ideaal van niet 'entarte' kunst, Walt Disney gebruikte haar als model voor de boze stiefmoeder van Sneeuwwitje. 

 Het echtpaar staat er, zoals de beeldhouwer tweehonderd jaar later dacht dat het geweest kon zijn. Misschien deden ook toen nog verhalen over haar schoonheid de ronde. Ekkehard heeft een onderkin en is verlegen met de situatie.

 Uta heeft haar mantel omgeslagen en kijkt over haar kraag. Zedig en daardoor in het verborgene verleidelijk. Opmerkelijk hoeveel verschillende uitdrukkingen haar gezicht krijgt bij verschillende lichtval en kijkhoek op de foto's. Ekkehard wordt meestal weggelaten. Hij weet zich geen houd­ing te geven. Wat moet je met zo'n vrouw naast je.

 Uta weet dat er naar haar gekeken wordt, maar haar blik ontsti­jgt het moment. Alsof ze weet dat wij naar haar zullen kijken. En velen na ons. 

De ijzeren dichter

 Wim Brands schreef over hem, Johnny van Doorn ging graag bij hem langs vanuit Amsterdam-Noord en ik maakte op 12 juli 2004 een radiobezoek aan zijn werkplek op Zeebu­rg. Een jaar later stierf hij.

 Een luwe zomeravond. Theo had verteld over zijn bezoeken aan de Hoogovens, waar hij materiaal vergaarde. Kleine dingen waar hij iets in zag. Hij klaagde over de oplopende schrootprijzen.

 Toen het helemaal donker was kreeg ik ten afscheid dit beeld­je. 'Kijk,' zei hij, terwijl het vuur achter ons flakkerde en knetterde tegen de zonsondergang. 'Als je het zo neerzet is het een non die omkijkt.'  

We zaten in zijn beeldentuin, een huttendorp met oude caravans en auto's bewoond door hippies en internationaal ongeregeld volk. 'Hij is okee' zei hij tegen ze, op mij wijzend. Ik mocht rondlopen.

 Daar woonde en werkte hij. Daar op Zeeburg kende hij ieder nachtelijk diergeluid. Hij vertelt ervan.

 Ik ging nogeens langs bij zijn galeriehouder in de Beemster, die zijn ergernis niet kon inhouden dat Theo zo vaak dingen weggaf. Dat was 'prijsbederf'.

 Ook het laatste restje Zeeburg zal binnenkort veranderd zijn in naamloze nieuwbouw.

 De opname is bewaard, luister maar.

Tags: 

Gumkunst

 Onvindbaar. De in mijn herinnering onverbeterlijke foto, gemaakt op een gloeiendhete dag in New York, jaren vijftig. Gezien bij de jongenskapper in de rubriek 'Goed geschoten' in ik denk de Wereldkron­iek.

 Een warme dagen-verhaal.

 Hou je vast: een 'negerjongetje' laat een ei bakken op de gloeiendhete stoep. Zonder pan!

 Zonde van zo'n ei dacht men toen.

 En nu krijg ik van Freek Verweel de site van de Engelse Chewingum Man Ben Wil­son, die in Londen plakken platgetrapte kauwgom beschildert. Hij droogt ze eerst nog even met een brander en beschildert ze dan met acryl.

 Hoe lang dat blijft zitten is de vraag.

 Net als het negerjongetje met z'n ei is dit kunst die leeft van de verspilling.

 Verspillingskunst. Als van een middeleeuwse beeldhouwer die bovenop een kathedraal, op een voor niemand zichtbare plaats, het gezicht van z'n vriendin uithouwt.

 

Van Deysels vliegen

 Bij een zomergriep, zoals ik die nu heb slaat het linksaf of rechtsaf zonder dat er een peil op te trekken is. Koorts, waterstromen uit neus en ogen. Onbedaarlijke niesbuien begeleiden de verwarring. En zo kom ik bij de levenslange strijd van Lodewijk Van Deyssel tegen het vliegeneuvel.

 Biograaf Harry Prick legde het me eens precies uit en deed me het sprongetje voor dat de schrijver maakte bij het openen en sluiten van zijn kamerdeur, opdat daarbij geen vlieg zou binnendringen.

 Ook te vinden in het onmisbare 'De schrijfcassette van Lodewijk van Deyssel'. In 1899 was er al een 'vliegentent' waarin hij met stoel en tafel kon zitten werken. Er mochten ook drie vliegen in. 'Want men mag de natuur toch niet geheel uitsluiten', en hij noemde deze drie vliegen Juno, Jupiter en Venus. 

 En schrijft: 'Ik heb zoo even aangewend het psychische middel der gelat­enheid, onverschilligheid of ongevoeligheids‑dwang. Een vlieg kwam op het hoofd. Ik hield het onbewegelijk, kijkend op den sekonden‑wijzer hoe lang het zou duren. 1e minuut bleef hij, eerst op het haarhoofd morrelend en kriebelend, toen om het oor heen, toen op den linker wang, eindelijk onder den neus boven op den snor, toen onder den snor. Nu kwam de gedachte, dat die vlieg wellicht smetstof op de vochtige lippen zou brengen, ‑ de houding veranderde, ik gaf het op en brieschte de vlieg weg.'

 En dan: 'Verder wuif ik, bij het uit‑ en ingaan van de kamer, met hand of zakdoek, en voeten, om de vliegen te verwijderen. Bij het uitgaan van de kamer, klap ik eerst even snel met de deur, om de vliegen, die er tegen aan mochten zitten, op te jagen, opdat zij niet, door het plotseling wuiven, terwijl de deur open is, geheel in de war, tegen de wuivende hand in de kamer mochten binnenvliegen.'

Zalig nietsdoen

 Heet de zomertententoonstelling in het Bergense Kranenburgh. Waar je als bezoeker, vlakbij oorden van ledigheid als stranden en terrassen, wordt bedolven door het niets in de kunst.

 Neem de wanhoop van vakantie in de schilderijen van Diederik Gerlach. Van Duitsers die zuchten onder pijnlijke orders als 'Mach mal pause' en 'Ferienglück'. Duitser dan Duits.

 Ontspannen moet. Het 'dolce far niente' als eeuwig misverstand. Als iemand lijdt onder een depressie raad hem of haar nooit aan zich terug te trekken op een stille plek om helemaal tot rust te komen.

 De uitvinder van de vakantie was een sadist.

 Kunstenaars hebben er het minste last van, de zenuwen houden ze in beweging.

 Geestig is Erwin Wurms gebod aan een neuspeuterende, liggende man in 'Think about Derrida' (2005). Hij raadt denken van harte af.

 En dan de reus 'Bigbluefigure' van Tom Friedman die een vuiltje in z'n oog heeft, wat als je dichtbij kijkt een mannetje blijkt dat z'n zicht belemmert.

 En zo keert het nietsdoen zich hier steeds weer tegen de nietsdoener. Had ie maar op het strand moeten blijven. Maar ook daar ben je je leven niet zeker, gezien de kuren van de vervaarlijke, levende parasols van Inge Meijer (2017) in haar 'Oceanic feeling'.

 De deur wordt dichtgedaan door de fantastische nagelstudio op ware grootte van Tanja Ritterbex (2015). Als je ’t echt niet meer weet zijn er altijd nog je nagels.

Groot en klein

 'In een notedop' is een uitdrukking geworden. Vast afkomstig van de beeldhouwwerkjes in hout of ivoor waarin hele, vaak Bijbelse voorstellingen werden uitgesneden. Het evangelie op zak. Het Rijks stelt ze tentoon en het nieuwe nummer van Kunstschrift verhaalt ervan.

 Als kind al leef je in schuivende kijkhoogten. Kinderogen die over de tafelrand heen kijken zien kopjes en schotels als gebouwen.'

 Het Calimero effect, samengevat in 'zij zijn groot en ik is klein en dat is niet eerlijk'.

 In het Rijks zijn miniaturen te zien. Maar die gaan bij mij vanzelf hand in hand met vergrotingen. Gulliver is er altijd ook. En kijkt lachend toe hoe de lilliputters zijn buik omspannen om hem aan de grond te nagelen.

 Mijn eerste sociologie college verhaalde van een steeds oplaaiende ruzie tussen keukenpersoneel en de obers in een groot Amerikaans restaurant. De keuken lag een halve verdieping lager, zodat de koks de spijzen omhoog moesten reiken naar het doorgeefluik en de obers ze de vuile borden toesmeten. De obers keken letterlijk op ze neer. Toen een verstandige baas in een nieuwe vestiging keuken en restaurant gelijkvloers legde was het opeens uit me de ruzies.

 Het ging om macht. En die werd - letterlijk - bepaald door positie en afmetingen. Ik zag koningen op hun troon. En de volgende stap, de uitvergroting van machthebbers. De farao's wisten er van. Ze zagen torenhoog neer op hun onderdanen, die op hun beurt tegen ze opkeken. De taal is doordrongen van afmetingen.

Ps. In Kunstschrift vond ik de verbazende Miniature Calendar van Tatsuya Tanaka.

Het langzame kijken

 Met elke stap die je zet verandert de wereld. Met elke oogknipper. Wat daar bij komt is hoe vlug of langzaam je gaat en kijkt. Daarover schrijft Martin Reints In zijn nieuwe bundel Wildcamera.

 Kijken zonder te bewegen kan niet. Is een fictie van de schilderkunst, waar die beweging soms wel wordt gesuggereerd, maar toch meestal het omgekeerde gebeurt: de schilder schept een onbestaanbare, stilstaande wereld. Hallucinerend. Ik lees 'Het langzame kijken van Peter B. van Houten', de schilder:

 'De snelle waarneming/ van de vlekken om hem heen:

in een afremmende trein, in een rijdende auto,/ in de keuken op weg naar de gang

en het trage kijken tussen de vlekken door:/ vanuit de rijdende auto naar een tankstation in de verte/ of naar de verkeerslichten of naar de richtingborden bij een kruispunt

terwijl je langs de keukentafel loopt naar een hand die een glas pakt

vanuit de steeds langzamer rijdende trein/ naar een schip op een rivier

bij iedere beweging de beslissing waarnaar te kijken/ en waarover na te denken, met ons apenbrein

dat een plan maakt:/ morgenochtend verderop rustig vijgen eten

nu in deze vlekkerige boom op de route snel/ een nest bouwen voor de nacht.'

Tags: 

Berg

 Een orthodox Joods gezin woont in het wachtershuisje van een uitgestrekte begraafplaats op de Olijfberg in Jeruzalem. Geen boom, geen bloem te zien. Het is dat niets waar de film van Yaelle Kyama's over gaat. Doden, louter zerken. En muizen, die wel.

 De dood reikt ook naar het gezin van vijf kinderen, de man die zijn vrouw Tzvia niet meer ziet staan. De Al Aqsa moskee blinkt iets verder op wat de Israëli’s de Tempel­berg noemen.

 Er is meer leven in deze zerkenwoestijn. 's Avonds na het invallen van het donker treffen zwervers en hoeren elkaar hier. En als haar man en kinderen slapen, gaat Tzvia kijken, raakt geobsedeerd door deze andere wereld. En gaat praten, eerst voorzichtig, tegen het wantrouwen in. Maar dan brengt ze pannetjes soep.

 Een prachtige plek om de onoplosbaarheid van Israël en van dit huwelijk te laten zien. Zo komt Tzvia voor de keuze, zich bij de zwervers aan te sluiten of haar orthodoxe gezinsleven voort te zetten. Allebei uitzichtloos. En dan ontstaan er twee pannen soep. Een met rattengif, een zonder. Welke is voor het gezin, welke voor de zwervers? Wie tenslotte de giftige krijgt wordt niet onthuld.

 Zelf neemt ze als eerste een slok.

Buiten

 Buiten is in Nederland wel iets heel anders dan binnen. Ik groeide op in huizen waar het naar buiten gaan met veel misbaar werd tegemoet gezien. Jassen en dassen aan­getrok­ken en omgeslagen met vermanende begeleiding. Een volk van huiveraars. Die zich altijd schrap zetten, levenslang. En als - zoals dezer dagen - de kou dan eindelijk even wijkt, hera­dem­en, de spi­eren strek­ken. Of er een loden last van ze af viel.

 's Avonds buiten zitten. Eten zelfs. Ik lees in een tuinstoel gedichten van Breyten Breytenbach in 'De zingende hand'. Geschreven in de Zuid-Afrikaanse omgekeerde wereld. Ze praten er Hollands, maar anders. Dat moet wel zijn omdat het er warm is:

 'dit was de zomer van lange warme avonden/ dit was de zomer van de trein/ die de stad tegen de schemering uit rijdt/ om zich verder te spoeden door gouden korenvelden/ die 's avonds versom­beren onder een hemel/ van paars en bloed/ dit was de zomer dat vogels/ snikten in het bos/ dit was de zomer dat jij je je liefdes/ probeerde te herinneren en waarom/ ze gezichtloos als een deken/ gewichtig in de nacht/ tegen de zere plekjes op je benen schuurden/ dit was de zomer van sterren die vervaagden in de straat/ en van woorden die plots opraakten op papier/ dit was de zomer dat je wel wist/ dat je dit alles misschien voor de laatste maal zag: de wolken, het woud, de wonden van sterren/ als namen in de nacht/ de nonnen met hun schichtige enkels'

 (tweetalig, Nederlands van Laurens van Krevelen.)

Litteken

 Gisteren werd een wond tussen twee vingers bij mij gehecht door een ziekenhuisstagiaire die me bezwoer dat er niets zichtbaars van zou overblijven. Vreemd, eens was een litteken een ereteken.

 De dichter Michael Palmer begon zijn 'Brief aan Rotterdam' op Poetry zo: 'De twee littekens op mijn gezicht lijken langzaam naar elkaar toe te groeien'. Zijn oudste kreeg hij op zijn vierde jaar. Mijn oudste was wat ik op mijn achtste jaar overhield aan een wespensteek. Heel mijn onderarm zwol op en tante Ans besloot tot een paardenmiddel: onverdunde ammonium, daarna stevig ingezwachteld. Ik verging van de pijn maar gaf geen krimp. Het werd een ontzaglijk merkteken. Gek genoeg is het sindsdien almaar kleiner geworden en nu bijna weg.

 Wat ik nog wel meedraag is de diepe snee in mijn knie, van het prikkeldraad, opgelopen op de vlucht voor een duinwachter met hond op mijn elfde.

 Het lichaam als geschiedenisboek.

 Michael Palmer schrijft: 'Dat simultane krimpen en rekken van de tijd, het 'ik' dat zijn vastheid verliest, een vastheid die het misschien nooit gekend heeft; het tastbare gevoel van tijd als een enorme ruimte tussen het 'nu' en het 'toen'.

 Terwijl de verpleegster mij dichtnaaide dacht ik aan het 'onzichtbaar stoppen' van ladders in de nylons van mijn moeder. Weg geschiedenis.

ps. De tekst van Michael Palmer staat in het nieuwe numer van Tijdschrift Terras over Catacomben.