Staatsspoor..

Staatsspoor

 ist mir min leben getroumet, oder ist ez war? van de oude dichter Walther von der Vogelweide staat als motto boven 'Zwart water' het bewaard gebleven begin van een in Nederland spelende roman (1934) van de Duitse schrijver Wolfga­ng Koeppen.

 Een Duitser komt per trein aan in Den Haag, op Staatsspoor, het kopstation waar nu Den Haag Centraal staat. Ik ben er als kind vaak aangekomen, alleen, met bestemming grootouders in het Statenkwartier. De sporen eindigden op stootblokken en wat stuifzand, verderop zag je de Koekamp en het Malieveld liggen. Koeppen wordt opgehaald door kennissen en verbaast zich over de landelijkheid midden in de stad. Het is waar, ooit reikte het duin tot hier: 

 'De heer en mevrouw M. stonden mij op het perron op te wachten. Het was nu twee maanden geleden dat zij in Berlijn afscheid genomen hadden, en ze leken kleiner dan ik ze in herinnering had. Het was alsof ze zich aan elkaar vasthielden om niet te worden weggewaaid door een wind op het station in Den Haag, die ik op dat moment niet eens voelde. Toch had ik het idee dat het een smal station was, het stelde mij teleur. Ik had het station van een hoofdstad verwacht en trof hier nu een paar rails aan die bijna in het groen of het zand lagen alsof het in de duinen was, wat alleszins gekund had, het stationsg­ebouw het doel van een uitstapje. Later wist ik dat er in Den Haag nog een ander station was, dat meer in overeenstemming was met mijn verwachtingen van een residentiestad, het was een punt op de lijn Paris‑Amsterdam en de treinen reden zelfs naar zee en naar Londen.'

 'Mijn station had aansluiting op Duitsland, Berlijn, misschien op Konigsberg, en zelfs op Moskou, maar meteen aan de voorkant graasden reeen op een omheinde wei. Het was 's Gravenhage, een romantische of historische plaats, een station uit het verleden, misschien de spoorlijn van vorstenhoven naar de troon van Nederland, een weg om prinsgemaal te worden bij een bigotte, wat dikke konin­gin, zoals je ze van standbeelden van de Engelse Queen Victoria kende. (...)'

 Vertaling Jacq. Vogelaar. Lees verder op de site van Terras/Raster 

Hergé en het detail in 1977

 Gisteren bracht de postbode - die altijd tweemaal belt - een nieuw nummer van het tijdschrift Furore van Piet Schreuders, dat bij nader bekijken veertig jaar oud blijkt en gedateerd op april 1977. Waarom?

 Een zeer lezenswaard nummer, met onder veel meer een stuk over Pulp boeken en hun makers en illustratoren, een gesprek met Ringo Starr over wat te doen na de Beatles en vooral een bezoek aan Kuifje-tekenaar Hergé en zijn kompaan Bob de Moor, door Joost Swarte, Ernst Pommerel en Schreuders.

 Waarom? Op de dag dat de Fransen op het verleden zullen stemmen, net als eerder de Amerikanen en de Engelsen heeft Schreuders haarfijn aangevoeld: wie niet weet hoe verder, gaat terug. Hergé en zijn kompaan Bob de Moor leggen uit hoe hun pagina's ontstaan. Hergé half in Brussels-Vlaams - hij komt uit Etterbeek, zijn vader was Franstalig, zijn moeder Vlaams - en Frans, wat onweerstaanbaar werkt.

 Dit gaat over het detail. Hergé: 'Natuurlijk, wij zijn Van Eijk niet. Dat zal ik u direct zeggen. Ge moet het goed zien. Maar als u dat tafereel van Van Eijk ziet, ziet ge eerst alles tezamen. Als ge voor bij komt, ziet ge de klein-klein-klein dingskes, kleine bloemekes en van alles. En de details van de kleine bloemekes. Wel dat is, ik denk, in onze tekeningen het zelfde ding. 't Is te zeggen: het is leesbaar. Ge kunt eerst alles in een oogopslag zien, en ge kunt nabij komen en de details zien. Maar ge moet eerst de ambiance zien om te kunnen lezen! Eh, Bob? De details moeten in de tweede rang komen. Eerst den ensemble, dan de details.'

 En verderop: 'Si vous donnez la même importance a tous les details ca devient illisible. Ge kunt het niet lezen; waar moet ge beginnen? Ge weet het niet 't Is toch : ge vertelt een histoorke - een histoorke! - dus, ge moet klaar zijn, klaar, eerst en vooral.' En zie, daar heb je de klare lijn..

 De enige stijlbreuk is de prijs op het omslag: 10 euro. In de erkende handel natuurlijk.

Passie?

 Sinds de kaalslag die Halbe Zijlstra in de kunsten aanrichtte zag ik schijnbaar strijdige ontwikkelingen in de musea: van gemeentewege dure nieuwe gebouwen met vooral veel horeca en leuk voor de kinderen. Met daarnaast een vermagerend kunstaanbod.

 Doe meer met minder geld! En dus het gokken op blockbusters, het verlengen van ten­tonstellingen, en de eigen collecties weer eens oppoetsen en met nieuwe ogen bekijken. Aan de Stijl komt nooit een eind.

 En dan de laatste noodrem: de verzamelaar. Overal doemden ze op, van Singer tot Boijmans en nu kom ik in het zo opzienbarend programmerende Alkmaars Stedelijk na de Noordhollandse Picasso's, Van Everdingen en Van der Heck opeens 'De passie van verzamelaar Wim Selderbeek' tegen?

 Wie? Passie? Deze autodealer en zakenman in wild en gevogelte kocht in de jaren ’20 en ’30 zo'n 350 stukken van Leo Gestel, Jan Sluijters en Charley Toorop plus wat mindere goden uit Bergen.

 Goddank hoeft deze zakenman niet op televisie want hij stierf in 1963.

 Zijn passie - het meest versleten woord van deze dagen - was kopen en verkopen, wild, auto's, onder het motto 'Keep selling'. En als hobby kocht hij schilderijen. Hij handelde er niet in. Wat hij kocht is wat in zijn tijd voor de hand lag. En dan wel tweede keus, op een paar toevalstreffers na. Er spreekt geen enkele eigen idee uit.

 Ik vermoed dat de ambitieuze beleidsmakers in Alkmaar uit wraak zijn luxe Ford tussen de doeken hebben gezet. Ga kijken, Zijlstra.

Willem Kloos' portret

 'O God, waarom schijnt de zon nog!' heet het monumentale portret van de dichter Willem Kloos (1859-1938), gemaakt door Peter Janzen en Frans Oerlemans. Een titel waarin niets overdreven is. Het is alles of niets bij de Tachtigers en het meest bij Willem Kloos.

 Zo leven met kunst - ook schilders als Willem Witsen, Breitner en Isaac Israels hoorden bij de vriendenkring - is in deze tijd ondenkbaar geworden. Toch verdient de kunst het. Waarom zou je anders dichten of schilderen?

 Alleen, niemand kan of durft het meer. Een God in 't diepst van je gedachten?  Kloos ging tot het uiterste, met het onder woorden brengen van wat nu zo in de mode is: gevoelens. En met drank net zo. Bij hem eindigde het - na jaren alcoholisme - in inrichtingen, met elektroshocks.   

 Het boek portretteert niet alleen hem, ook een generatie kunstenaars. In hun tijdschrift De Nieuwe Gids verscheen deze in het krankzinnigengesticht in Utrecht geschreven impressie: 'De gekken zitten in hun kerkgebouw' (1895), met als tweede regel 'Als stomme mummien met steenen oogen'

 Waarin de gekken worden toegesproken door een dominee en dan weer terug moeten naar hun bedden:

 'Dan keerend zaal-waarts naar mijn vreemde voer,/ Denk ik gedwee: 'k ben een verloren worm maar,/ En ga dan stil wat schrijven of wat lezen/ Maar met begint het hortende rumoer,/ Lawaaiend langs de wanden of 't een storm waar.../ Menschen, aanschouwt: ik word als een van dezen.' 

Tags: 

Kaurismäki, dwars

 Als Kaurismäki fan sinds het Meisje van de luciferfabriek en de Leningrad Cowboys moest ik meteen naar The other side of hope. Finland en de Finnen staan bij hem voor een hardnekkig soort menselijke onvoorspelbaarheid. Zijn verhalen spotten met de film clichés. Bij Kaurismäki geen I love you dad, I love you too son of krijgen ze mekaar.

 Als een keurige meneer zonder geld opkomt gaat hij naar een zeer Fins casino, dat wil zeggen een huiselijk zijkamertje waar om zeer veel geld gespeeld wordt. Hij wint. Veel. Wat zal hij daar eens mee doen? Hij besluit zomaar een restaurant te kopen. Dat ziet er zo uit als je bij Kaurismäki verwacht.

 Hij is in acteurskeuze en aankleding volstrekt eigen. Zodat dit restaurant in het moderne Helsinki een Kaurismäki eiland wordt. Met een interieur uit 1967, en een onduidelijke hippie als portier. Tot en met de muziek. Steengoeie platen waarvan je de teksten wil bewaren, lokale orkestjes die komen spelen.

 Luizige muzikanten met afgetrapte stratocasters, maar o zo mooi. Waarom? Omdat de meneer er plezier in heeft. Zoals hij ook de tweede held in de film, de Syrische vluchteling Khaled onderdak en werk geeft. Khaled die z'n zusje zoekt. En ja, een onzelfzuchtige vrachtwagenchauffeur brengt haar voor niks uit Litouwen naar Helsinki. 

 Wat drijft die mensen? Bij Kaurismäki worden ze gedreven tot hun goede daden uit louter dwarsigheid. Heel erg Kaurismäki is het dan dat ze met uitgestreken gezichten doen wat ze zint. Khaled had dan ook veel goeds gehoord over het land. Maar ja, politieagenten en immigratie functionarissen willen hem op het vliegtuig zetten. En skinheads zijn er ook. Herinner je de Ware Finnen.

 Als Khaled onder hun handen lijkt te sterven doet hij dat als een Kaurismäki-Fin. Langzaam en bedachtzaam. Z'n zusje is terecht. 

Tags: 

Kafka, honderd jaar later

 Op '100 Jahre Kafka' is het acht uur 's ochtends op 19 april 1917. Hij is in het huisje in de Alchemistensteeg op de Hradschin waar zijn zusje Ottla en hij een optrekje hadden en schrijft haar, dat ze alles keurig heeft achtergelaten. Maar het vuur is uit.

 "Maar toen pakte ik alle kranten en ook manuscripten en kwam er na een tijdje toch een mooi vuur tot stand. Toen ik het vandaag aan Ruzenka vertelde zei ze wat ik verkeerd gedaan had, ik had geen splinters hout gesneden, alleen zo krijg je meteen vuur. Waarop ik snedig: 'Maar er is daar toch geen mes?'

 Zij, onschuldig: 'Ik gebruik altijd het eetmes van het bord.'

 'Daarom is het dus altijd zo smerig en zit het vol kerven. Maar dat je splinters moet maken heb ik erbij geleerd. De vloer heeft ze heel mooi schoongemaakt, je was dus niet vergeten haar dat te zeggen. Op mijn beurt zal ik er morgen proberen achter te komen wat het beste boek over groente kweken is. Hoe je groente uit sneeuw laat groeien zal er wel niet in staan.'

 'Gisteren trouwens, zoals me verteld wordt, heeft vader zich enorm gedragen. Rudl Hermann (laat deze brief niet liggen) was 's middags bij ons om vriendelijk afscheid te nemen, omdat hij naar Bielitz gaat. Ten gevolge daarvan werd bij ons een clownsvoorstelling gegeven waar iedereen aan meedeed. Er zijn nauwelijks familieleden die vader bij deze gelegenheid niet belasterd en beschimpt heeft. De ene is een oplichter, op de ander moet je spuwen (foei!) enzovoorts. Van dat schelden trok hij zich niks aan, zei Rudl. Vader zei dat ook zijn eigen zoon (dus Franz W.N.) een Hallunke was. En toen werd vader geweldig. Ging op hem af, beide armen omhoog, helemaal rood aangelopen. R. moest eruit.'

 De brief gaat door. Moeder Kafka maakte een eind aan dit vriendschappelijk afscheid. 

Tags: 

Schapenvacht

 Toen ik na een nacht in z'n Normandische kusthuis in Ault aan Thom Mercuur vroeg waarom de zee 's nachts licht geeft, zei hij 'De zee zuigt het licht overdag op en straalt het 's nachts weer uit'.

 De beroemde Finse architect Juhani Pallasmaa zegt dat zintuigen voortdurend gezamenlijk opereren. Als je ziet hoor en ruik je tegelijk ook. Hij wilde niet meer een uitsluitend visuele architec­tuur maar gebouwen voor alle zintuigen en schreef 'De ogen van de huid'. Alle zintuigen, oog, oor, neus etc. zijn immers gespecialiseerde stukjes huid. Aan hem dacht ik bij 'Eiland' van Dorien Dijkhuis, in de nieuwe Extaze:

 ik stond een avond op de steiger van het eiland/ achter me gleed de veerboot terug de nacht in/ een verlichte zaal waar mensen waren/ de nacht was donkergroen

 op de dijk graasden schapen het zilveren gras/ hun vacht hield de dag nog vast, als zeilen bij zonsondergang/ voor me ademde het bos, daarachter sliep het dorp/ ik wist dat er ergens een bed was

 ik dacht aan jou, hoe jij niet hier bij mij was/ maar ergens ver weg een boek las, in de kroeg zat/ lachte, sliep, misschie­n/ aan mij dacht

 dat ik juist daarom het zilver zag, het donkergroen/ de adem van het bos, het flakkerend verlangen/ in een schapenvacht

Stadse meiden

 Breitner en Israels kleden de Amsterdamse straten aan met meiden. Een enkele dame doet haar boodschappen, maar die zie je hooguit terug in een portretopdracht. Op de grachten, bruggen en in de steegjes zie je de koffiepiksters die in sweatshops de slechte van de goede koffiebonen scheiden, de dienstmeisjes in hun witte schorten en de 'waspitten' van de kaarsenfabriek aan de Boerenwetering, achter het Rijksmuseum.

 In 1887 komt er een parlementaire enquête naar de wantoestanden daar:

 Vraag: Gij moet dus de bakken met stearine overgieten in de vormen, en de kaarsen afsnijden. Dat is uw werk gedurende 36 uren. Van zitten kwam dus niets in? Antwoord: Neen, mijnheer.

 Vraag: Kreeg gij 's nachts geen rustuur? Antwoord: Van 12 tot 1.

 Vraag: En gedurende dien tijd kondt gij dan wat op de grond gaan liggen? Antwoord: Ja, dan zocht ik maar een zachte plank op.

 Geen wonder dat de schilders makkelijk aan modellen konden komen. En dat de bordelen een uitweg boden. Uit een verhaal van Frans Erens in De Nieuwe Gids (1892):

 'Tusschen de vierkante meiden met de donkere rokken, die waaiden breed als krinolinen wijd. Vloog licht en rank, in volle zwaai en leliewit de slanke meid. Gloeiend heet en rood in zweet trapte ferm de sterke matroos, meenemend licht, het lichte wicht. In den nevelenden stof, in den wirbelenden dans, in het voeten gebons, in het plompende gestomp, in het vioolgesnerp verdween, kwam op de vliegende meid.' (...) 'En tusschen door de witte hand, verdwijnend hier, verdwijnend daar.'

Amsterdamse spiegelruiten

 Het schilderen van het nieuwe, grootsteedse Nederland begon in Den Haag. Hagenaars Breitner en Israels gingen rond 1885 het rumoer in de hoofdstad zoeken. Zagen Amsterdam opbouwen en groeien.

 Ze stortten zich op industrie, nieuwbouw, entertainment, mode en het caféleven. Israels was kind aan huis in het modehuis Hirsch met z'n mannequins. Breitners model Geesje Kwak werkte in een kledingateli­er.

 Het Haags Gemeentemuseum laat nu zien hoe na de landelijke rust van de Haagse School het stedelijk rumoer kwam.

 Amsterdam schilderen of tekenen blijft moeilijk. De binnenstad, de grach­tengordel waren toen al een koektrommel cliché. Breitner en Israels losten het op door er meiden op los te laten. Breitners vaak uitgelaten waspitten en dienstboden, Israels mannequins.  

 Waar ik niet van wist was de introductie in het stadsbeeld van wat nog steeds heet de spiegelruit. Tot dan toe waren winkelramen klein. Net als die van gewone huizen. Nu konden er opeens grotere raamoppervlakken gemaakt worden. De etalage was geboren.

 Amsterdam liep uit, niet alleen om te zien wat tentoongesteld werd, maar om binnen te kijken door die reusachtige glazen oppervlakken.

 Herman gorter beschreef het in 1885. En Israels huurde een kamer tegenover de hoedenwinkel Mars aan de Nieuwendijk, om vanuit zijn raam de etalages en de klandizie te kunnen schilderen. 

Frankrijk kiest

 Volgende week verkiezingen in Frankrijk. En weer gaat het over identiteit. Net kom ik terug van de premiere van de film Latifa, vertoond in de Cinema Arabe. Over een goedwillende oudere Marokkaanse, moeder van een militair die sneuvelde omdat hij niet wilde knielen maar rechtop bleef staan.

 Op 11 maart 2012 stierf deze Imad, onderofficier in het Franse leger, in de eerste van drie schietpartijen door de 23‑jarige Mohamed Merah. Imads moeder Latifa gaat naar de wijk in Toulouse waar Merah opgroeide en waar hij nog altijd als een martelaar geldt.

 Daarna trekt ze de banlieus langs en houdt de jongeren van Marok­kaanse komaf voor dat ze nu eenmaal Fransen zijn. Geen gekke boodschap ook voor Turkse Nederlanders. Ze spreekt ze toe in klaslokalen en collegezalen, op congressen en in gevangenissen door het hele land. Het lijkt te werken, bij de jongeren, ouders en docenten, maar ook bij politici. Ze wordt geprezen door Hollande, komt op tv.

 Maar nu net zie ik op tv een heel sterke reportage van Saskia Dekkers uit de Parijse voorstad Trappes, waar zij de mensen kent, die duidelijk maakt dat Latifa's boodschap daar al achterhaald is. Trappes Islamiseert in snel tempo. Van een staat die hoofddoekjes verbiedt wil niemand meer wat weten. Trappes stemde altijd op socialisten, dat lijkt voorbij. Nog wat:  Cinema Arabe wordt bedreigd, terwijl het juist erg nodig is.