Voorlinden

 Ruim en licht en leeg, dat waren mijn indrukken van het nieuwe Museum Voorlinden. En jeuk, het verlangen naar een vlek. Gelukkig zaten er veel haren op mijn jas.

 Het lijkt op Belvedère in Oranjewoud maar dan uitvergroot.

 Waar zijn die reuzen muuroppervlakken goed voor? Heel het gebouw en het perfect aangelegde natuurpark eromheen ademt de hang naar een hogere orde.

 Voor mensen als Ellsworth Kelly, de Amerikaanse modernist die nu exposeert, of Barnett Newman of Richard Serra's ijzeren labyrint in 'Open ended', maar verder? Geen antwoord.

 Zoals ook Ellsworh Kelly zelf die er op een druk bekeken filmpje in slaagt niets te zeggen dan dat twee dimensies zijn voorkeur hebben boven drie. Waarna je zaal in, zaal uit tussen zijn strak in primaire kleuren geverfde, nietszeggende fantasieformaten doorwandelt. Mijmerend over Toon Verhoef, een vormverzinner die ik hier smartelijk mis.

 Er zijn gelukkig ook grapjes, want die moeten deze wereld redden. Zoals de plastic sandaal waar haren uit groeien van Robert Gober, de meer dan levensgrote badgastpoppen van Ron Mueck of het doorkijkzwembad van Leandro Ehrlich. En tenslotte twee kleine, maar o zo geestige van Broothaers, maar die vallen weg in de witte muurzee.

 Goddank is de tyrannie van de grote formaten voorbij.  

Meer buren

 Soms luisterde ik aan de muur, wat de moeder van Arnon Grunberg ook deed als de televisie haar verveelde. Wat de buren zeiden was oneindig verrassender en onvoorspelbaarder dan de wereld van de beeldbuis.

 Wat ging er om tussen de mensen die je soms op straat zag lopen als de huisdeur met z'n heel eigen klak in het slot gevallen was? Anderen, ook familieleden, waren vreemden.

 Bordewijk vergeleek in z'n roman Noorderlicht (1948) familieleden met hemellichamen. Familieleden cirkelen rond elkaar als planeten of manen, soms nabij dan weer onmetelijk ver. Maar toch door raadselachtige wetten met elkaar verbonden.

 Wat ging er tussen onze zwijgzame Haagse buren meneer en mevrouw Worms om? Indische mensen. Een stille muur.

 Een rijtjeshuis als het onze. Soms bewoog de vitrage heel even als stof werd afgenomen in de vensterbank.

 Ik heb aan hun brievenbus geroken. Zou de moeder van Arnon dat ook gedaan hebben?

 Op Kerstavond vertel ik in de Utrechtse Molen de Ster tijdens de Vorlesebuhne hoe ik als planetenverkenner kennismaakte met het leven in andere huizen. Van de deurbel tot het pannensponsje. 

Wandschildermanie

 Gijs Frieling wil wandschilderen. Het wandschilderen weer onder de mensen brengen. Het oude metier, waarbij een huis en zijn decoratie een worden. Binnen en buiten. Of andersom. Zoals in Middeleeuwse kastelen een kille winterse kasteelzaal een zomerse wei met nimfen kon worden en een plafond een hemel vol engelen.

 Eens was het beschilderen met fresco’s de finishing touch in de bouw. Soms bij kerkrestauraties worden nog stukken ervan teruggevonden. Er zijn restanten zoals op de prachtige pilaren van de Nôtre Dame van Poitiers.

 Maar bij ons hebben de calvinistische beeldenstormers de witk­wast als wapen ingezet. Die pronk en prots waren gode onwel­gevallig, weg ermee.

 Wie de beschilderde etage van het museum in Oss kent weet hoe Frieling en zijn ploeg muren de geschiedenis kunnen laten vertellen.

 Gijs ontvlucht al jaren de 'laboratorium-achtige omstandigheden' van het museum. En vervlecht kunst met omgevingen.

 En nu, in galerie S1 in de Amsterdamse Lindenstraat is een vervolg te zien, waaraan dit vooraf ging. In 1999 werd de ruïne van een kapel in de wijngaard van La Morra, waar de Barolo vandaan komt, bij Alba in Piemonte gerestaureerd. De gepleisterde gevels werden beschilderd door de fameuze Amerikaan Sol Lewitt. Niet mis. Gijs Frieling nam deze beschildering als voorbeeld en zie!

 Wie een oude schuur of een kapel over heeft kan hem bellen. 

Tags: 

Ozons kitsch

 Knap werk, op het volmaakte af. Zo knap dat het onwaarschijnlijk wordt. Geen jas, geen jurk, geen treintje, geen auto of hij is volledig in stijl. Of wat daar voor doorgaat. Het woordje 'te' dringt zich al vlug op.

 Het Interbellum volgens François Ozon in 'Frantz' is zo volmaakt, zo af, dat er voor mij als kijker geen ruimte overblijft. Ozon, meester van de kitsch.

 De ongeloofwaardigheid van de historische precisie, het kostuumdrama. Zoals perfect gerestaureerde oldtimers nooit het verleden oproepen maar juist het verzinsel.

 En hier, een landgoed bij een kleine stad in het Frankrijk van 1919 of een huis van gegoede burgerij idem in Duitsland. Bedienden. Geen armen, hoewel die toch het meest gesneuveld waren.

 Er zit iets in van Remarques Im Westen Nichts Neues. Hier het verhaal van de Franse militair - ultra-gevoelige jongeman, tevens violist - die naar Duitsland reist om vergiffenis te vinden voor het neerschieten van een Duitse leeftijdsgenoot.

 Erg onwaarschijnlijk is het entree van deze Fransman in de Duitse gemeenschap, als ie ook nog uit dansen gaat met de verloofde van de stadgenoot die hij neerschoot. Stel je even voor hoe een Duitse ex-militair die hem dat flikte in het Amsterdam van 1946 ontvangen zou zijn.

 Vergiffenis? Hij durft het niet tegen diens ouders te zeggen. En diens verloofde die ervan weet evenmin. Het klassieke Remarque-motief, de oorlog is aan het thuisfront onvertelbaar. Te erg. Ook hier het sterkste ingrediënt.

 Ik ga Céline Reis naar het einde van de nacht maar weer eens lezen.

Tags: 

Buren

 'Buurman! Buurman! 'k Heb weer allemaal sneeuw.' Ze hoefde maar op de trap te gaan staan. Kabeltelevisie hadden we nog niet, dit waren van die sprieten. Ik werkte bij de radio, ik moest dit oplossen. Je kunt het treffen. Dit was, zei men, een 'leuke trap'.

 Tante An bezat ook een cassettespeler. Met twee cassettes. Haar favoriet was Wim Sonneveld. En steeds weer was de vraag of ze Sonneveld na een halfuur zou omkeren. En ja, weer zat je een halfuur vast aan de wollen sokjes van Marjoleine en de koningin van Lom­bardije.

 Hoe dit zo? Op kerstavond brengt de Vorlesebühne van Bernhard Christiansen in de molen De Ster in Utrecht een avond over buren. 'Mijn korte ontmoeting met een hemellichaam,' is de precieze opdracht.

 Zo kort was de ontmoeting niet. Nog hoor ik Marjoleine. Tante An was een waarlijk hemellichaam, om haar heen cirkelden satellieten als haar schreeuwende dochter die dagelijks de kleinzoon kwam brengen. Zijn naam was me lange tijd niet duidelijk tot ik verstond 'Alexander-hou-je-kop'.

 Behalve Alexander-hou-je-kop was daar Joop de zeilmaker, die beneden op het plaatsje dekzeilen maakte voor marktkramen en bakfietsen, maar ze vaak te kort afsneed, zodat hij bij tante An zat te snikken. Sinds Joop weet ik wat verknipt betekent.

 'k Ben z'n moederfiguur he,' zei tante An.

 De vrouw van Joop had een gat in d'r hand. Ze liet alle rekeningen achter de kast vallen.

 Wat zou er van dit sterrenstelsel geworden zijn? Onderaan de trap was het luik, het zwarte gat.

Tags: 

Daniel Kehlmann rijdt auto

 In ‘Du hättest gehen sollen', de nieuwe Daniel Kehlmann, waarover hij met Jeroen van Kan kwam praten - gelukkig in het Duits - blinkt Kehlmann weer uit in terzijdes. Een ervan is autorijden. Iets dat voor hem helemaal niet van zelf spreekt.

 Zou hij wel een rijbewijs hebben? Of het pas op latere leeftijd hebben geleerd? Sinds ik zelf gisteren mijn linker buitenspiegel mis, waardoor ik steeds een gat zie waar wat achter me ligt zou moeten zijn, spreekt rijden ook voor mij niet van zelf. Het hecht zich aan andere fouten, een nietgeziene fietser. Routine verbergt angst. Tot er iets tussenkomt. Ik vertaal:

 'Bijna iedereen houdt zich voor een goede chauffeur. Maar ik niet. Ik ben onhandig en afwezig en heb langzame reflexen. Zelfs onder de gunstigste omstandigheden heb ik bij iedere rit het gevoel me in iets waaghalzigs te storten. Het is dus niet verbazend als me op een smalle haarspeldenweg paniek overvalt.'

 'Het zit toch zo: Je moet compleet fantasieloos zijn om onbevreesd in een met brandstof gevulde capsule te gaan zitten Net sta je nog stevig in het gewone dagelijks leven en denkt aan het avondeten en je belastingaangifte, een moment daarna zit je ingeklemd in vervormd metaal, terwijl de vlammen je aanvreten, en tussen de ene en de andere toestand ligt maar een verkeerde draai aan het stuur, een halve seconde ontbrekend opletten.' 

Wat Hanny las

 Bij Hanny Michaelis thuis zaten vader, moeder en zij avonden lang te lezen, soms te praten over het gelezene. Zij schreef ook brieven aan schrijvers, als Vestdijk. En sprak over lezen en schrijven met haar beminde leraar D.A.M.Binnendijk

 Haar dagboek in december 1941: 'Als ik eerlijk ben, zou ik mezelf moeten bekennen dat ik zowel met Vestdijk als met alle anderen, die ik zo hartstochtelijk aanhang, vertrouwelijk zou willen omgaan. Als ze niet bijna allemaal dood waren, zou ik ze stuk voor stuk willen leren kennen. Ik zou vertrouwelijke gespre­kken met ze willen hebben, ik zou willen, dat ze me hun aandacht waard achtten. Maar als ik Marsmans gedichten lees, zou ik in zijn armen willen slapen. Zulke verlangens zijn nu weer typisch meisjesachtig en bijna 'halfzacht' maar ik heb ze nu eenmaal en waarom zou ik ze dan voor mezélf verbloemen? Het is bovendien een goede zelfkastijding: als ik zulke dingen overlees bloos ik van schaamte.'

 ‘Ik weet eigenlijk niet goed hoe ik mijn bezoek aan Binnendijk moet beginnen, ik kwam helemaal 'beurs' van indrukken naar huis en ben het nú nog.' 

 'Gedurende ons hele gesprek keek Marsmans portret op me neer, ik moest er aldoor naar kijken.'

Tags: 

Joke van Leeuwen

 'Het moet nog ergens liggen' is een zin die zich tussen alles nestelt. Met een zeker welbehagen. Zoals mijn moeder zei als er iets zoek was, 'het kan niet weg zijn'.

 Er zijn er weinig die de kunst verstaan van het schrijven tussen de dingen, de gedachten, de omstandigheden. De rijke wereld betreden van 'Het moet nog ergens liggen'. Zoals Joke van Leeuwen het kan in haar nieuwe, gelijknamige bundel. Niets erger dan alles dichtmetselen. Zodat er voor mij, lezer geen plaats meer is. De bundel begint met 'Binnenkomst', dat voortzet wat in de titel begon:

 'Een gast die voor het eerst jouw te/ bekende kamer ziet en jij moet/ wennen aan haar ogen, ziet zelf/ als nieuw dat wezen­loze werkje aan de wand, de ingedrongen/ vegen op de vloer, dat rommelbakje/ ooit gekregen, zonde om het weg/ te doen, de foto van een ooit nog/ pasgeborene, die op z'n kop begon'

 'en blindelings hier buiten beeld twee/ tepels op kon sporen, nog geen/ bezit dan dat en zijn aanwezigheid./ Haast alles kreeg een vaste plek om/ niet meer over na te denken en van/ nog niet blijft het besef dat het wel/ ergens is. De gast vraagt of het past/ gaat zitten op een stoel alsof zo'n ding/ dat stoel heet net is uitgevonden.' 

Onnozele hals

 Als er iets mis gaat is dat door m'n eigen schuld. Zo heb ik het geleerd. Eigenlijk zou ik ook nooit, zoals gistermiddag, het autoraampje moeten opendoen als twee keurig geklede donkere vrouwen erop klopten. Die me vervolgens een rolletje Euro's lieten zien. Met een, Engels gespr­oken, onbegrijpelijk ver­zoek.

 Wilden ze het wisselen voor munten in de parkeerautomaat? Dit was een nette buurt in Amsterdam-Zuid. Een hotel aan de overkant. In m'n zakken geen munten. Klein geld? Ik keek in m'n portefeuille, nee, stopte hem weer in m'n binnenzak. Het werd niet duidelijk.

 I can't help you, zei ik. De keurige dames liepen de straat uit. Ik reed naar huis. 

 Pas vanmiddag bij de benzinepomp bleek dat de twee creditcards uit m'n portefeuille weg waren.

 Na het uitputtend nagaan van mijn bewegingen in een etmaal, kwam ik bij de dames terecht. Terug thuis keek ik op m'n bankrekening. Afschrijvingen van luxe zaken in Amsterdam, en later Keulen. En opgenomen geld. Nogal veel.

 Nu de instanties. Blokkeren. En de vraag of bij de beide pasjes de pincodes waren geweest. Nee. Maar, hoe hadden de dames zonder mijn pincode geld kunnen opnemen? 't Is waar de parkeerautomaat vraagt ook al niet meer om een pin. OK is genoeg. En zo gaat het vaker.

 Maandag belt de schademeneer. En nu ben ik moe.   

Hanny's oorlogsdagboek

 Het is mei 1941, ze is 18. Voor het Joodse gezin Michaelis is er - getuige het dagboek van dochter Hanny - nog weinig veranderd. Ze gaat naar het Vossiusgymnasium en is altijd verliefd, nu op haar leraar Nederlands D.A.M.Binnendijk.

 Om tien uur 's avonds schrijft ze: 'Vanavond is de maan nog mooier dan gisteren. Heel laag achter het zwarte netwerk van de gashouder, hangt een grote, oranje lampion in de diepblauwe avondhemel. Het is doodstil buiten. Ik voel al de hele avond dweepzieke fantasieën over Binnendijk op komst...',

 Heel direct schrijft ze gedachten en gesprekken neer. Zoals met haar ouders over 'sex-appeal'. Gevolg: 'gl­oei­ende wangen' en 'een opgewonden gevoel'. Zou zij zelf sex-appeal hebben? Ze durft het niet te vragen.

 'Als ik bij mezelf naga welke factoren voor sex-appeal in aanmerking komen stuit ik al direct op mijn mond. Ik kan me niet voorstellen, dat iemand me een zoen zou willen geven. Ik heb een veel te grote mond, hoewel geen hanglip, ook geen biefstuklip en zelfs vrij goed gevormd. Maar te groot en te zwellend. Het is zo gek, soms heb ik het gevoel, dat niet mijn ogen maar mijn mond verraadt welke verlangens er in me leven.' En daarna volgt een kritische beschrijving van haar fysiek. Ze heeft 'goddank een behoorlijk figuur'. Alleen zit ze erg in 'met wat ik mijn Oosterse boezem noem, die is idioot sterk ontwikkeld tot mijn grote woede'.

 De volgende dag komt via de BBC het nieuws door dat Hitlers plaatsvervanger Hess met een vliegtuig naar Schotland is gevlucht. Euforie!

 Al lezend denk ik soms, ongerijmd: 'Alsof Anne Frank ís blijven leven.'