Kop en schotel

 Is het eerste dat mijn blikveld binnenvalt. En me niet meer loslaat. Waarom? Wat wil Christiaan Kuitwaard van me met zijn koppen en schotels? Hij wekt ze tot leven. Hoe?

 Ik ben in Belvedère in Oranjewoud. En denk rondkijkend eerst aan de evenwichtskunstenaar Mondriaan. En aan de karakters,  de vazen en potten bij Moran­di.

 Kuitwaard is bezig met wat vooraf gaat aan evenwicht. Het van alle kanten bekijken en belichten, oppakken en weer neerzetten.

 Waar zit het drama? In koppen en schotels. Geschilderd onder alle mogelijke belichtingen en hoeken. Van allerlei afstanden, in licht en donker.

 Hoe meer je er naar kijkt, hoe meer ze gaan bewe­gen. Ik herinner me de keren dat mijn blik gedachteloos bleef hangen aan een voorwerp, ik verdroomde. Hoe gaat dat? Je knippert met je ogen. Kijkt van opzij. Doet een stapje achteruit, loopt er omheen. Blikwisselingen. Dan schuift de zon achter een wolk.

 Kuitwaard geeft dat weer met vervagingen door sfuma­to en verhelderingen, waardoor de koppen en schotels wijken en naderen. 

 Met iedere stap die je zet verandert de wereld. Er zijn op de expositie ook omzwervingen naar bijvoorbeeld sneeuwlandschappen met bomen met lange schaduwen, het lijken me omtrekkende bewegingen.

 De koppen en schotels zijn vaak in lichte tinten geschilderd, waardoor ze leven. Dichter bij dan kop en schotel kun je hier niet komen.

 In de catalogus praat Gijsbert van der Wal uitvoerig en verhelderend over Kuitwaards werkwijze. 

Ken Babstock

 Na de geallieerde bombardementen en het eind van de oorlog begon het puinruimen. Rondom tal van grote Duitse steden verrezen puinbergen, Trümmer.

 Bij Berlijn ontstond de Teufelsberg. Bestaande uit puin gedumpt op wat een militair-technische academie van de nazi's moest worden, ontworpen door Albert Speer. Bovenop de berg werd in 1963 een installatie van de Amerikanen gebouwd om het Oostblok te kunnen afluisteren. Sinds de val van de muur staat het leeg.

 Niet moeilijk om in deze historische steenmassa een metafoor te zien. Zo werd de vreemde berg de locatie van Sigint (Signals Intelligence), onderdeel van de bundel On Malice van de Canadese dichter Ken Babstock, die zich ziet zich als 'voddenraper van de geschiedenis'. En er toe kwam de berg te vullen met gefragmentariseerde teksten van Walter Benjamin, uit taalspelletjes met zijn zoontje. Zoals:

 'Zeg nou niks grappigs. Is dat niet mogelijk?/ Is dat niet te allen/ tijde wat iedereen overeind houdt?

Plotseling korte sprookjes. Buikangst./ Men hoort nooit iets over dwangmatigheid./ 'Gedood' is een woord met een ster eromheen.

Al luistert men de hele nacht, ze praten/ niet over 'dwangmatigheid'. Dwangmatigheid/ is een wind waaraan de niet-moderne kat

is vastgeniet./ De anus trekt samen./ Naalden van geel en rood licht, kleine/ aurora materialis en nachtogen van de varkensfamilie.'

Woensdagavond  3 mei presenteert Babstock zijn bundel Sigint, met de Nederlandse vertaling van Jeske van der Velden in Amsterdam.

Dag

 Naar het buitenland gaan zou de oplossing zijn op een dag als deze. Maar nee. Na het koningsinterview en de idioot uitvoerige nabe­sprekingen - hij had werkelijk niets te zeggen zodat de conclusie maar moest luiden dat hij 'menselijk' was - even geen Tilburg.

 Vroeger was als bekend alles beter. Toen ik in 1966 in de vpro-villa aan de ‘s-Gravelandseweg kwam werken - het voormalig huis van stichter dominee Spelberg, die fobisch was en dus radio uitzond uit z'n eigen woonhuis - vond ik daar behalve het orgel van Anton van der Horst vele lage bankjes. Die waren, zei men, nog van het 'zondagshalfuur' voor de kinderen van mevrouw Spelberg-Stokmans.

 Ook de prinsesjes kamen daarvoor met moeder Juliana uit Soestdijk gefietst. Juliana dronk dan boven thee met de dominee en Bea, Margriet, Irene en Marijke zaten in de studio beneden op die bankjes.

 Mooier nog was de menselijke piramide die we op Koninginnedag met de padvinders in Den Haag bouwden, tijdens een benefiet in het Circustheater. Ik was de kleinste en moest dus bovenop. Het was geoefend. En dan de uitvoering: uren wachten in je zwembroek met een laken om, in catacomben vol zaagsel. En dan eindelijk de piste in, de muziek en de schijnwerpers. Ik klom over de ruggen tot bovenin, en zwaaide met m'n oranje vlaggetje. Applaus.

 Nooit meer zo gelukkig geweest als in de Oerlikontram terug.

Vrouwentop?

 Frau Merkel - mijn favoriete politica - heeft in de gaten hoe klein de geest van Trump is. Huis tuin en keuken. Met gouden kranen en deurknoppen, maar toch. Eerst wat men tegenwoordig 'dierbaren' noemt. Dat je een agressieve vader, een lamlendige dochter of een gruwelijke moeder kunt hebben komt niet bij ze op. Het zijn allemaal 'loved ones'.

 Begreep Frau Merkel. En zo bemoeide ze zich met een onbegrijpelijke internationale 'vrouwentop'. Waar zijzelve als gekozen staatshoofd zat te midden van ongeregeld goed als de echtgenote van een koning - vreemd, een koning hoeft al niks te kunnen behalve wuiven en glimlachen, zijn echtgenote nog minder - en de dochter van een president, nog zo'n loved one zonder diploma's, die hij zomaar benoemde in een staatsfunctie. Niet toevallig waren de koningin en de dochter dan ook de mooiste, daar waren ze op gekozen.

 Een mooi terzijde leverde de presidente van het IMF. Die het geheel met een ironisch lachje aanzag. Ze begreep het spel blijkbaar bliksems goed. Haar knipoo­gje naar Frau Merkel miste ik even, maar het was er zeker.

 Waar het over ging? Het belangrijkste leek dat de 'first daughter' zei dat haar vader een echte vrouwen­vriend was. Gejoel in de zaal. Waarmee de conferentie weer gedaan was.

 Namens wat en wie ze daar zaten? O ja, het zou goed zijn als er meer vrouwen in topfuncties kwam­en.

 Frau Merkel glimlachte. Ze had de president in de tang.

De onmogelijke Kloos

 Rondwaren door leven en werk van Willem Kloos, zoals beschreven in 'O God, waarom schijnt de zon nog!' van Peter Janzen en Frans Oerlemans. En weergegeven in de herdruk van zijn verzen (1894).

 Kloos, soms beschreven als borderliner. Alcoholist was hij in elk geval, anders dan de kerngezonde sportman Herman Gorter. Was hij de grootste? Hij vond zelf in elk geval van wel. Altijd naar het uiterste. En daarbij niets schuwend wat hem beroerde. En een vechter als het ging om 'zijn' blad De Nieuwe Gids.

En in vriendscha­ppen. Een onmogelijk mens die men steeds weer vergaf. Zelfs Frederik van Eeden. Ook Van Deyssel bleef hem trouw. Vriend Willem Witsen schreef 'wantrouwen is een algemene ziekte in gevallen als dat van Kloos'. En dan, aan de vrouw van zijn uitgever: 'Hij wordt beklaagd en verzorgd, hij wordt zichzelf weer, zijn oude trots komt terug enz. terwijl het gebeurde een harde les voor hem had behooren te zijn. U plukt de bittere vruchten van teveel toegevendheid, mevrouw.'

 Altijd waren er weer mannen en vrouwen die voor Willem gingen zorgen, hem geld leenden. Pannetjes eten brachten, jawel. Jeanne Reyneke van Stuwe verzorgde hem tot het eind. Hij werd zeer oud. Ik lees het begin van Vers nummer LV:

 'Ik ga mijn leven in orgieën door

Van vol muziek en vreugden onuitspreeklijk,

Daar 'k ál smart in losbándigheid verloor,

Want dit lijf en mijn trots zijn onverbreeklijk;'  

Staatsspoor..

Staatsspoor

 ist mir min leben getroumet, oder ist ez war? van de oude dichter Walther von der Vogelweide staat als motto boven 'Zwart water' het bewaard gebleven begin van een in Nederland spelende roman (1934) van de Duitse schrijver Wolfga­ng Koeppen.

 Een Duitser komt per trein aan in Den Haag, op Staatsspoor, het kopstation waar nu Den Haag Centraal staat. Ik ben er als kind vaak aangekomen, alleen, met bestemming grootouders in het Statenkwartier. De sporen eindigden op stootblokken en wat stuifzand, verderop zag je de Koekamp en het Malieveld liggen. Koeppen wordt opgehaald door kennissen en verbaast zich over de landelijkheid midden in de stad. Het is waar, ooit reikte het duin tot hier: 

 'De heer en mevrouw M. stonden mij op het perron op te wachten. Het was nu twee maanden geleden dat zij in Berlijn afscheid genomen hadden, en ze leken kleiner dan ik ze in herinnering had. Het was alsof ze zich aan elkaar vasthielden om niet te worden weggewaaid door een wind op het station in Den Haag, die ik op dat moment niet eens voelde. Toch had ik het idee dat het een smal station was, het stelde mij teleur. Ik had het station van een hoofdstad verwacht en trof hier nu een paar rails aan die bijna in het groen of het zand lagen alsof het in de duinen was, wat alleszins gekund had, het stationsg­ebouw het doel van een uitstapje. Later wist ik dat er in Den Haag nog een ander station was, dat meer in overeenstemming was met mijn verwachtingen van een residentiestad, het was een punt op de lijn Paris‑Amsterdam en de treinen reden zelfs naar zee en naar Londen.'

 'Mijn station had aansluiting op Duitsland, Berlijn, misschien op Konigsberg, en zelfs op Moskou, maar meteen aan de voorkant graasden reeen op een omheinde wei. Het was 's Gravenhage, een romantische of historische plaats, een station uit het verleden, misschien de spoorlijn van vorstenhoven naar de troon van Nederland, een weg om prinsgemaal te worden bij een bigotte, wat dikke konin­gin, zoals je ze van standbeelden van de Engelse Queen Victoria kende. (...)'

 Vertaling Jacq. Vogelaar. Lees verder op de site van Terras/Raster 

Hergé en het detail in 1977

 Gisteren bracht de postbode - die altijd tweemaal belt - een nieuw nummer van het tijdschrift Furore van Piet Schreuders, dat bij nader bekijken veertig jaar oud blijkt en gedateerd op april 1977. Waarom?

 Een zeer lezenswaard nummer, met onder veel meer een stuk over Pulp boeken en hun makers en illustratoren, een gesprek met Ringo Starr over wat te doen na de Beatles en vooral een bezoek aan Kuifje-tekenaar Hergé en zijn kompaan Bob de Moor, door Joost Swarte, Ernst Pommerel en Schreuders.

 Waarom? Op de dag dat de Fransen op het verleden zullen stemmen, net als eerder de Amerikanen en de Engelsen heeft Schreuders haarfijn aangevoeld: wie niet weet hoe verder, gaat terug. Hergé en zijn kompaan Bob de Moor leggen uit hoe hun pagina's ontstaan. Hergé half in Brussels-Vlaams - hij komt uit Etterbeek, zijn vader was Franstalig, zijn moeder Vlaams - en Frans, wat onweerstaanbaar werkt.

 Dit gaat over het detail. Hergé: 'Natuurlijk, wij zijn Van Eijk niet. Dat zal ik u direct zeggen. Ge moet het goed zien. Maar als u dat tafereel van Van Eijk ziet, ziet ge eerst alles tezamen. Als ge voor bij komt, ziet ge de klein-klein-klein dingskes, kleine bloemekes en van alles. En de details van de kleine bloemekes. Wel dat is, ik denk, in onze tekeningen het zelfde ding. 't Is te zeggen: het is leesbaar. Ge kunt eerst alles in een oogopslag zien, en ge kunt nabij komen en de details zien. Maar ge moet eerst de ambiance zien om te kunnen lezen! Eh, Bob? De details moeten in de tweede rang komen. Eerst den ensemble, dan de details.'

 En verderop: 'Si vous donnez la même importance a tous les details ca devient illisible. Ge kunt het niet lezen; waar moet ge beginnen? Ge weet het niet 't Is toch : ge vertelt een histoorke - een histoorke! - dus, ge moet klaar zijn, klaar, eerst en vooral.' En zie, daar heb je de klare lijn..

 De enige stijlbreuk is de prijs op het omslag: 10 euro. In de erkende handel natuurlijk.

Passie?

 Sinds de kaalslag die Halbe Zijlstra in de kunsten aanrichtte zag ik schijnbaar strijdige ontwikkelingen in de musea: van gemeentewege dure nieuwe gebouwen met vooral veel horeca en leuk voor de kinderen. Met daarnaast een vermagerend kunstaanbod.

 Doe meer met minder geld! En dus het gokken op blockbusters, het verlengen van ten­tonstellingen, en de eigen collecties weer eens oppoetsen en met nieuwe ogen bekijken. Aan de Stijl komt nooit een eind.

 En dan de laatste noodrem: de verzamelaar. Overal doemden ze op, van Singer tot Boijmans en nu kom ik in het zo opzienbarend programmerende Alkmaars Stedelijk na de Noordhollandse Picasso's, Van Everdingen en Van der Heck opeens 'De passie van verzamelaar Wim Selderbeek' tegen?

 Wie? Passie? Deze autodealer en zakenman in wild en gevogelte kocht in de jaren ’20 en ’30 zo'n 350 stukken van Leo Gestel, Jan Sluijters en Charley Toorop plus wat mindere goden uit Bergen.

 Goddank hoeft deze zakenman niet op televisie want hij stierf in 1963.

 Zijn passie - het meest versleten woord van deze dagen - was kopen en verkopen, wild, auto's, onder het motto 'Keep selling'. En als hobby kocht hij schilderijen. Hij handelde er niet in. Wat hij kocht is wat in zijn tijd voor de hand lag. En dan wel tweede keus, op een paar toevalstreffers na. Er spreekt geen enkele eigen idee uit.

 Ik vermoed dat de ambitieuze beleidsmakers in Alkmaar uit wraak zijn luxe Ford tussen de doeken hebben gezet. Ga kijken, Zijlstra.

Willem Kloos' portret

 'O God, waarom schijnt de zon nog!' heet het monumentale portret van de dichter Willem Kloos (1859-1938), gemaakt door Peter Janzen en Frans Oerlemans. Een titel waarin niets overdreven is. Het is alles of niets bij de Tachtigers en het meest bij Willem Kloos.

 Zo leven met kunst - ook schilders als Willem Witsen, Breitner en Isaac Israels hoorden bij de vriendenkring - is in deze tijd ondenkbaar geworden. Toch verdient de kunst het. Waarom zou je anders dichten of schilderen?

 Alleen, niemand kan of durft het meer. Een God in 't diepst van je gedachten?  Kloos ging tot het uiterste, met het onder woorden brengen van wat nu zo in de mode is: gevoelens. En met drank net zo. Bij hem eindigde het - na jaren alcoholisme - in inrichtingen, met elektroshocks.   

 Het boek portretteert niet alleen hem, ook een generatie kunstenaars. In hun tijdschrift De Nieuwe Gids verscheen deze in het krankzinnigengesticht in Utrecht geschreven impressie: 'De gekken zitten in hun kerkgebouw' (1895), met als tweede regel 'Als stomme mummien met steenen oogen'

 Waarin de gekken worden toegesproken door een dominee en dan weer terug moeten naar hun bedden:

 'Dan keerend zaal-waarts naar mijn vreemde voer,/ Denk ik gedwee: 'k ben een verloren worm maar,/ En ga dan stil wat schrijven of wat lezen/ Maar met begint het hortende rumoer,/ Lawaaiend langs de wanden of 't een storm waar.../ Menschen, aanschouwt: ik word als een van dezen.' 

Tags: 

Kaurismäki, dwars

 Als Kaurismäki fan sinds het Meisje van de luciferfabriek en de Leningrad Cowboys moest ik meteen naar The other side of hope. Finland en de Finnen staan bij hem voor een hardnekkig soort menselijke onvoorspelbaarheid. Zijn verhalen spotten met de film clichés. Bij Kaurismäki geen I love you dad, I love you too son of krijgen ze mekaar.

 Als een keurige meneer zonder geld opkomt gaat hij naar een zeer Fins casino, dat wil zeggen een huiselijk zijkamertje waar om zeer veel geld gespeeld wordt. Hij wint. Veel. Wat zal hij daar eens mee doen? Hij besluit zomaar een restaurant te kopen. Dat ziet er zo uit als je bij Kaurismäki verwacht.

 Hij is in acteurskeuze en aankleding volstrekt eigen. Zodat dit restaurant in het moderne Helsinki een Kaurismäki eiland wordt. Met een interieur uit 1967, en een onduidelijke hippie als portier. Tot en met de muziek. Steengoeie platen waarvan je de teksten wil bewaren, lokale orkestjes die komen spelen.

 Luizige muzikanten met afgetrapte stratocasters, maar o zo mooi. Waarom? Omdat de meneer er plezier in heeft. Zoals hij ook de tweede held in de film, de Syrische vluchteling Khaled onderdak en werk geeft. Khaled die z'n zusje zoekt. En ja, een onzelfzuchtige vrachtwagenchauffeur brengt haar voor niks uit Litouwen naar Helsinki. 

 Wat drijft die mensen? Bij Kaurismäki worden ze gedreven tot hun goede daden uit louter dwarsigheid. Heel erg Kaurismäki is het dan dat ze met uitgestreken gezichten doen wat ze zint. Khaled had dan ook veel goeds gehoord over het land. Maar ja, politieagenten en immigratie functionarissen willen hem op het vliegtuig zetten. En skinheads zijn er ook. Herinner je de Ware Finnen.

 Als Khaled onder hun handen lijkt te sterven doet hij dat als een Kaurismäki-Fin. Langzaam en bedachtzaam. Z'n zusje is terecht. 

Tags: