Het Parijs van Walter Benjamin

 Spiegels laten je niet alleen een omgekeerd beeld van jezelf zien, ze verveelvoudigen ook de wereld. Walter Benjamin beminde Parijs. Heel zijn onvoltooide 'Arcaden project' is een ode aan de lichtstad.

 In de pas vertaalde bundel Denkbeelden staat een stukje over 'Parijs, de stad in de spiegel'.

 Zoals Amsterdam zich overal spiegelt in de grachten en het IJ, zodat de stad in licht baadt, zo eindigt Benjamin zijn lofzang aan de Seine: 'Die vormt de grote, altijd wakkere spiegel van Parijs. Elke dag gooit Parijs zijn solide bouwwerken en zijn wolkige dromen als beelden deze rivier in. Zij neemt die offergaven genadig aan en breekt ze ten teken van haar goedgunstigheid in duizend stukken.'

 Immers, water heeft zelden een glad oppervlak, het is een caleidoscopisch bewegende spiegel: 'In duizend ogen, in duizend lenzen spiegelt zich de stad.' En dan: 'Parijs is de spiegelstad: spiegelglad is het asfalt van de straten onder haar auto's. Voor alle bistro's staan afgeschoten ruimtes van glas: vrouwen zien zichzelf hier nog vaker dan elders. Uit deze spiegels is de schoonheid van de parisienne tevoorschijn getreden. Voordat de man zijn blik over haar laat gaan, hebben tien spiegels haar al gekeurd.'

Tags: 

Afscheid van Amerika

 Ik ben afscheid aan het nemen van het Amerika waar ik mee opgroeide. Vandaag suizen de tekenfilms van de Hanna-Barbera fabriek door mijn hoofd. Niet alleen de Flintstones, ik ben van de Flintstone generatie.

 De goedkoopste animaties, eindeloze herhalingen, schetterende muziek en altijd een grote domoor en een kleine slimmerik. Totdat Dino moet worden uitgelaten en de deur achter Fred dichtvalt. 'Wilma, open this door, Wilma!'

 Natuurlijk werd Donald Trump gekozen omdat ie sprekend op Fred Flintstone lijkt en is minister van justitie Jeff Sessions precies Barney Rubble.

 Joseph Hanna en William Barbera maakten die filmpjes aan de lopende band voor hun wekelijkse show. Ik hield ook veel van Yogi Bear en z'n vriendje Booboo die in Jellystone Park wonen en leven van de gekaapte 'pickenick baskets' van de parkbezo­ekers, die komen langsrijden roepend 'looka­tthabear lookatthebear'.

 Hucklebery Hound was ook goed, die was sheriff: 'You beter keep a sharp eye at all times!'. En muizenjager Topcat met: 'I hate those mieces to pieces'. Uitgeput zeeg ik na zo'n halfuurtje neer.

 Maar nu Donald Trump er is, la realité a surpassé la fiction. Niks is in Amerika meer leuk omdat Trump zoveel karikatuur is dat cartoons niet meer helpen. Als de atoombommen vallen zijn ze saluutschoten van Fred Flintstone. Terug naar het stenen tijdperk. En Wilma doet de deur noo­it meer open. Yabba-Dabba Doo!’. 

Pissende man

 Breitner moet duizenden kilometers door Amsterdam hebben gelopen. Zo begint Hans Rooseboom - de grote foto-man van het Rijks - zijn stuk over de fotograaf Breitner in het boek Snapshot, over fotograferende schilders.

 En hij laat meteen een stadsgezicht zien waarop een Amsterdam­mer – terzijde rechts - aan de Oudezijds Achterburgwal (ca.1894) tegen een muur pist. Op klaar­lichte dag. Het silhouet van een pissende man, in een witte kiel. Hoe herkenbaar! Pissen let nauw. Een pissende man moet afstand houden anders zeikt hij z'n broek onder. Tegelijk moet hij een oogje op de omgeving houden, er lopen achter zijn rug mensen voorbij. Maar verlegen is hij niet met de situatie, hij staat fier rechtop. Straks zal hij in gemoede zijn geslacht afschudden en teruggaan naar z'n werk op een schuit.

 Mensen in beweging wilde hij vangen. Of het da onscherp werd was geen kennelijk punt.

 De foto heeft alle Breitner-kenmerken: het glimmen van natte kasseien, tegenlicht en onscherpte, waardoor de silhouetten prachtig uitkomen. Breitner gebruikt het zoals hij op z'n schilderij­en ook deed.  Zijn foto's werden pas in 1961 voor het eerst tentoongesteld. Zag hij ze zelf als kunst? Als voorstudies voor schilderijen? Soms misschien. Voor de aardigheid toch ook vaak.

 De Rotterdammer kwam pas in 1886 naar Amsterdam en hield het meest van de oude stad. Van paarden ook. Vooral die van de paardentram die hij allemaal bij naam kende. De elektrische trams die rond 1900 kwamen vond hij maar ‘levenloze dozen’.

 Zijn snapshots zijn hun tijd ver vooruit. Hij kon een dienstbode met een mand van achteren aanroepen, wieweet fluitend, om haar 'in the act' te vangen. Als eerste?

Tags: 

Odol

 De reden dat mensen trouwen moet wel zijn om iemand te hebben die ze kunnen vragen 'Ruik ik uit mijn mond?' En er dan op kunnen vertrouwen dat de ander niet liegt.

 Vroeger leerden echtparen elkaar kennen op dansles. Mijn broer was een vaardige danser. Bij de zg. medaltest haalde hij zijn brons, zijn zilver. Maar toen hij voor zijn goud zat sloeg het spook van de slechte adem toe.

 De mond komt het dichtst bij de ander. Hij was er doodsbang voor. Vaak hield hij de rug van zijn hand voor zijn mond en ademde ertegen of in zijn handp­alm. Om te controleren. Mij vroeg hij ook wel eens aan hem te ruiken voor hij naar dansles ging. Ik lachte hem uit. Hij ging over op Odol mondwater. En gorgelde de hele dag.

 Dit komt boven nu de Vorlesebühne op 2 september over stank gaat. Ik denk meteen aan de door Gerard Reve zo gev­reesde' 'putlucht' na het drinken van veel rode wijn. Hoe ruik je? Lijflucht is een samengestelde geur. Elk mensonderdeel ruikt immers weer anders. Je hebt mondlucht, oorsmeer, oksel­geur (vers of oud), voetzweet, een heel scala aan geuren met elk een apart aroma. Waarom is dat zo? Is het om de weg te kunnen vinden op andermans licha­am? Alleen een hond heeft er iets aan.

 In de herbergen van de Gouden Eeuw sliepen alle gasten samen in een groot bed, behalve de zeer dure. Hoe het daar rook? Het antwo­ord moet wel zijn 'ze roken het zelf niet'.

 Mijn broer heeft zijn goud gehaald. Dankzij Odol.

Jesper Just

 De Berlijnse was een van de vreemdste. Die ging ook dwars door huizen heen, net als de muren die Jesper Just op het Haagse Voorhout in het Huis Huguetan bouwde.

 Gemaakt van rechthoekige bouwblokken die de weg zijn kwijtgeraakt. En nu muurtjes vormen die schijnbaar lukraak de 18de-eeuwse vertrekken van dit stadpaleis doorkruisen.

 Muren zijn bij Jesper Just geen strikte scheidingen als de Israëlische muur of de Mexicaanse van Donald Trump.

 Er draaien filmloops daarbinnen. Langs de droom van Trump wentelt zich de danseres Kim Gordon. In tutu, terwijl ze met een stok tegen de spijlen van dit nieuwe ijzeren gordijn tikt, zodat het muziek maakt.

Muren zijn bij Just een eigen leven gaan leiden. Zoals die van het One World Trade Center in New York dat op de plaats van Twin Towers kwam. In zon glanzend staal, marmer en glas. En een klein meisje dat er almaar omheen loopt en zeer hoorbaar probeert er met een steentje in te krassen. maar het gebou­w geeft geen krimp.

 Mens tegen muur. Volgens de ideeën van de Finse architect Pallasmaa zou een gebouw niet louter visueel moeten zijn, maar moeten spelen met alle zintuigen. Vandaar de nadrukkelijke geluiden in de verder stille filmpjes van Just.

Het mooiste van de voorstelling is de manier waarop zijn betonnen bouwsels het 18e-eeuwse bouwwerk penetreren.

Het blijkt dat ze er allebei baat bij hebben, alsof het Huis Huguetan als een dame uit de pruikentijd het wel aangenaam vindt te grazen te worden genomen door een stel bouwvakkers van nu, met een kunstenaar als voorman.  

Bubbles

 Bubble, het nieuwe, veelzeggende woord. Niet een zeepbel die je blaast, maar eentje waar je in zit, in leeft. Die jouw wereld is. Zou je een zeepbel kun­nen blazen en er tegelijk in kunnen plaatsnemen? Een zeepbel zo groot als de wereld?

 Van de ene zeepbel overstappen naar de volgende is helaas onmogelijk. Ze zouden allebei knappen. Je kunt mekaar uit de verte groeten, of vuisten ballen, meer niet.

 Vroeger heette het verschijnsel paranoia. Je leefde in een waan, in een zelfbedachte, andere wereld dan de gangbare. Je was ziek. Nu heeft iedereen recht op zijn eigen bubble.

 Die van de Amerikaanse president is als die van de keizers en pausen van vroeger, alles is er van goud. Die van de Noord-Koreaanse machthebber is meer ontleend aan 19de-eeuwse Europese vorsten. Een kring van b­uigende onderdanen, strak in het gelid, in uniformen met rijen decoraties, zoals 19de-eeuwse Europese mach­thebbers ze hadden. 

 De metafoor is mooi, ook omdat iedereen weet dat zeepbellen vroeg of laat zullen knappen. Vooral als ze zo groot groeien dat de wanden te dun worden. Er hoeft maar een windje op te steken.

Snapshot

 Wie praat over fotografie praat over het moment. In het onmisbare boek Snapshot (2011), over fotograferende schilders, zie je belichtingstijd en scherpte elkaar naderen. En tenslotte (1888) is er de simpel te bedienen, goedkope Kodak, die je in de hand neemt.

 Dan pas komen de schilders. Je ziet foto en schilderij naar elkaar toe komen. In de foto's van Breit­ner, Bonnard, Denis, Evenepoel en Vuillard zie je het gebeuren. Van de tekenpen, totdantoe het sn­elste schildersmedium, naar de foto.

 Het 'betrappen' van het moment. De heilige graal die zich eeuwen schuilhield. En daar is ie. Wat schilders ook probeerden, ze kregen hem nooit echt te pakken. Omdat werkelijkheid het altijd won van de fictie? Je kunt ook zeggen dat schilders probeerden de essentie weer te geven, door de keus van juist dat ene dat stond voor het geheel.

 Zo kom je bij de abstractie. Maar de zeggingskracht van de foto-werkelijkheid is onweerstaanbaar. Steeds weer. Kijk naar Bonnards kiekjes, ga naar Gerard Fieret in het Haags fotomuseum.

 Wat een foto al niet kan zie je in de schilderkunst terug. In het afsnijden, het kadreren, het improviserend kiezen van ongewone standpunten. Het gebruiken van onscherpte en schaduw. Kortom in het verkleinen van de afstand tussen kunst en leven. 

Het stinkende Versailles

 De film over de laatste dagen van Lodewijk XIV met Jean Pierre Léaud mist een essentieel ingrediënt: je ruikt de koning niet. De stank van Versailles was berucht.

 Als hij 's ochtends audiëntie hield deed hij dat van zijn met fluweel beklede pleepot. Zijn bezoekers moesten de stank en de geluiden maar verdragen wilden ze naar zijn gunsten dingen.

 Hij genoot het privilege van de stank. De zonnekoning ging zijn graf in als de meest stinkende vorst aller tijden.

 Verspreid in de gangen van Versailles waren wel wat piepkleine toiletten, die bestonden uit een houten ton met een gat erin. Doorgaans lek. De inhoud sijpelde door de vloer naar de ondergelegen vertrekken. Gewoon in een hoekje op de gang was ook heel gangbaar.

 De reuk, het raadselachtige zintuig. Ieder huis, heeft zijn eigen luchtjes. Een cocktail van lijflucht, schoonmaakmiddelen, etensresten wieweet poes of hond. Pas bij afbraak verdwijnt huislucht.

 Lijflucht is een samengestelde geur. Elk mensonderdeel ruikt immers weer anders. Je hebt mondlucht, oorsmeer, okselgeur, voetzweet en zo door. Waarom is dat zo? Is het om de weg te kunnen vinden op andermans lichaam? Een hond heeft er iets aan.

 Op zaterdag 2 september in de Vorlesebühne meer.

Mixer

Hoe Nederland in de mixer verdween. Branchevervaging en mengvormen daarover gaat het in 'Hoe ik een bos begon in mijn badkamer', de bundel van Maartje Smits.

 Bij mij begon het met eten, de vlaflip en de tweedrank, Met de mixer was het eind zoek. Maar het is nu overal. Smits maakt een gedicht over ecoducten, wildwis­sels en natuurbruggen. Haring met chocoladesaus.

 'Heel lekker, maar wat is het?' Waar eindigt echt en begint nep? Is er een verschil? De Babylonische verwarring grijpt om zich heen. Dan krijg je een gedicht als 'Het fruitgehalte van fruit', dat begint:

 'ellebogen schillen een tafelkleed van plat fruit/ fruit vrij vertaald in kleed waarover geschreven/ even likken aan de staat van reproductie/ peil der Gehalt of fruit zonder pitjes/ vandaag nog vrucht heet

tegenargumenten steunen in vlees plastieken/ furcht Fleisch fletser onder druk/ maar niet zachter/ elk beurs plekje geretou­cheerd/ die Sonne schuurt en verblasst

 als ik nog eens over fruitkleden buig en schrijf/ droom dan van de werkelijke vruchten/ ooit geplukt gekoeld en vervoerd/ na afloop misschien zelfs opgegeten/ vijf monochromen uit China glazen mij na/ vanaf de vensterbank'

En dat zo eindigt:

 'op het balkon wachsen tomaten uit een zegelactie/ het fruit in mijn buik groeit gestaag een bosbes druif/ limoen avocado/ het is 50% van mij/ voor de andere helft besta ik/ uit water'

Geurig

 'Ik was me dat ik niet stink', is de regel van Jan Arends die ik opgeef als me gevraagd wordt 'de mooiste zin uit de Nederlandse literatuur' te geven. Dit om de kwaal van 'de beste, de mooiste, de belangrijkste' te bestrijden.

 Op 2 september begint de Vorlesebühne weer in de Utrechtse molen De Ster. En Bernhard Christiansen adopteerde deze zin van Jan Arends als thema. Het wordt een geurige avond. Op de angst te stinken berust een hele industrie van overstemmen met 'luchtjes'. Maar hoe weet je dat je stinkt? En hoe erg dan? Immers je kunt jezelf niet ruiken. Of? Ja, soms word je iets gewaar, er ontsnapt je merkbaar iets. En dan moet het wel of.

 Over zoiets praat men niet. Nu wel dus. De geur van ongewassen mensen in ongewassen kleren is merkwaardigerwijs overal de zelfde. Zouden ze zichzelf ruiken? Oorlogshumor. In de Tweede Wereldoorlog at men veel uien. In de tram liet een man een luidruchtige wind. Zijn medepassagiers zagen wie de schuldige was. Waarop hij zei: 'Geen nood mensen. Allemaal een snufje dan is ie zo op.'

 Voorbij. In de tram van nu ruik je shampoo, vooral 's ochtends op toeristentrajecten. Soms natte jassen. De angst voor de ander is toegenomen. In de herbergen van de Gouden Eeuw sliepen alle gasten in een groot bed, behalve de zeer dure. Hoe het daar rook? Het antwoord moet wel zijn 'ze roken het zelf niet'.