Veldslagen

 'Leger' heet de bundel van Mieke van Zonneveld. Waarin ze tussenbeide verslag doet van een Bijbelse veldslag in haar lichaam, waarbij erytrocyten en trombocyten worden verslagen en op de vlucht gejaagd. Ik herken wat ik meemaakte in ziekenhuizen, waar ik een auto werd met een reddeloos motorblok. Bij Van Zonneveld komt als wanhopige metafoor ook de vergeefse liefde van Heloïse voor Abélard er bij, en de kwetsbaarste aller bl­oemen, de klaproos. Ziekte als een inwendige strijd tussen on­bekende legers. Zoals in Veldslag:

 'Mijn lichaam was een huis waarin ik ruimschoots paste./ Ik klampte me aan knuffels vast, bad Here, houd ook/ deze nacht, viel knieën stuk maar beterde behendig.

 Had ik griep, dan trokken leukocyten als een leger op,/ vernietigden het virus en onthielden zijn tactiek.

 Maar het leger pleegt vandaag een staatsgreep/ in mijn beenmerg. Erytrocyten en trombocyten/ slaan samen op de vlucht./ Mijn organen krijgen/ amper lucht.

 Ook bloed ik op vreemde plekken./ In mijn benen, in mijn oogwit, uit de minuscule/ gaatjes in mijn aderen geprikt.

 Mijn borstbeen moet doorboord, een naald/ extraheert vocht, het magma uit mijn binnenste/ wordt grondig onderzocht.

 Een commandant in witte jas onthult zijn strategie:/ 'Deze veldslag winnen we met chemotherapie./ Maar het veld wordt wel beschadigd.'

 Het wordt een uitgestrekt gevecht, een bloedbad/ in een huis dat lekt.

 En ik ga slapen. Ik ben moe./ Ik sluit mijn beide oogjes toe.’ 

Oom Frits en oom Frans

 Mijn vader had twee vrienden van vroeger. Oom Frits droeg een hoornen bril bij zijn brillantinehaar, oom Frans ook. Beiden spraken met zachte stemmen.

 Oom Frans was ongetrouwd en kandidaat-notaris. Mijn vader en hij kenden elkaar van het Regiment Wielrijders. Na vele jaren vertrouwde Frans mijn moeder toe dat hij homose­ksueel was en gechanteerd werd door 'een jongetje'. En of ze het maar niet aan mijn vader wilde zeggen, want die had een hekel aan homoseksuelen. Zo was het, hij deed vaak gierend een collega na, die altijd groen droeg en over straat ging met een 'tasje', omdat zijn pak slecht zou zitten als ie spullen in zijn zakken deed.

 Oom Frits was een schoolvriend en getrouwd, hij had drie kinderen en een onaardige vrouw. We moesten weleens bij ze eten. Ook met hem liep het niet goed af. Hij ging alleen op kamers wonen en toen mijn vader hem daar tenslotte had bezocht kwam hij hoofdschuddend terug. Frits dronk. Hij had nog halfhartige pogingen gedaan de lege flessen voor mijn vader te verbergen.

 Daarna was er geen contact meer. Mijn moeder belde nog wel eens met oom Frans, maar ook hij kwam niet meer langs. 

Fantoom

 Een selectie gedichten van Emily Dickinson werd - samen met werk van haar geestverwante Edna St.Vincent Millay - vertaald door Ans Bouter. En zie mijn favoriet is er ook bij. Dat kwam zo. Ik schreef een stukje, lang voor telefoontjes ook opschrijfboekjes werden. Dat zo begon:

 ‘In de auto, ter hoogte van Overveen, kreeg ik een briljant idee. Inzicht zette de omgeving in hel licht. Maar ik had geen opschrijfboekje bij me. Meteen voel ik me geamputeerd. Een opschrijfboekje behoort tot mijn standaard extra lichaamsdelen. En nu miste ik de simpelste prothese. Het gevolg was fantoompijn. Ik voel de pen en het boekje in mijn vingers, maar ze waren er niet. Ik sloeg af naar de dorpskern maar het kopen van een opschrijfboekje bleek in O. niet eenvoudig. Na veel zoeken en keren vond ik in een souvenirzaak toch nog een klein notitieblok. Maar nu was ik vergeten wat ik zo nodig moest opschrij­ven. Ik bekijk het blok, alsof dat het me kon vertellen. `Schrijfblok' stond erop, `100 vel A7, chloorvrij gebleekt'.

 Van het idee heb ik niets meer vernomen. Misschien kwam het weer langs, maar herkende ik het niet als dat van bij Overveen, misschien omdat het alleen daar, ter hoogte van Over­veen, op die dag, op dat uur, geldig was. Misschien was het ook alleen daar  heel even briljant en trok het zich daarna, in alle bescheidenheid, voorgoed terug.’

 Rudy Kousbroek stuurde me toen dit - mij onbekende - gedicht van Emily Dickinson:

 A THOUGHT went up my mind to‑day

That I have had before,

But did not finish, -some way back,

I could not fix the year,

           

Nor where it went, nor why it came       

The second time to me,

Nor definitely what it was,

Have I the art to say.

             

But somewhere in my soul, I know

I`ve met the thing before;    

It just reminded me -`t was all-

And came my way no more.

Mannen

 Je zou soms bijna vergeten wat mannen ook weer waren. Een film als To my beloved, debuut van de Braziliaan Aly Muritiba duwt je er met je neus op. Een mannenfilm, waarin twee macho's het uitvechten

 De vrouw van de een ging vreemd met de ander. In de Islam zou ze gestenigd zijn. In Brazilië moet de dader worden gestraft.

 De film draait om de trots en eer van bedrogen hoofdpersoon Fernando, die zich stiekem indringt in het gezin van dader Salvador. Ana was zijn bezit, hij heeft haar kleren en fraaie schoe­nen altijd bij zich. En zwelgt in jaloezie bij het bekijken van een video waarop ze met Salvador naar bed gaat en hem prijst als 'Het beste wat me overkomen is'.

 Hij trekt bij de nietsvermoedende concurrent in, zinnend op wraak. Zal hij diens vrouw verleiden? Zijn dochter? Gelijke munt? Er komt niets van terecht. Al zijn Western‑afrekeningen mislukken.

 Jaloerse mannen onder mekaar. En de vrouwen in dit spektakel? Onzichtbaar. De bedrogene van Salvador heeft niets in te brengen. De overspelige van Fernando blijkt dood.

 De regisseur zei, gevraagd naar zijn bedoeling, dat hij wilde laten zien 'hoe weinig wij elkaar kennen'. 

De surrealist Grandville

 Nu Boijmans op 17 februari een grootse surrealistenshow opent met Dali, Ernst, Magritte en andere kanonnen kom ik maar met hun enige echte voorloper, de tekenaar Grandville.

 Nu nog te zien in Dr. Guislain in Gent in 'Een andere wer­eld'.

 Grandville, de 'karikaturist' die groente laat leven, de dieren zichzelf laat tekenen en voortdurende metamorfosen schept als die waarin je een vrouw een vis ziet worden. De surrealisten bezaten vast zijn boek 'Un autre monde' (1844), denkt Jan Ceuleers. Max Ernst verwerkte er citaten uit, Dali borduurde erop voort.

 En zijn reuzenduim - een grap bij de opening van een beeldententoonstelling - werd later een serieus beeldhouwwerk van Baldaccini dat nu vele parken siert.

 Grandville in 1843: 'Op het vlak van sculptuur zullen we de Vinger van God vermelden, een gigantisch werk waarvan de originaliteit de mooiste voorstellingen van de oudheid en de Renaissance overstijgt. De auteur van dit kolossale stuk werkte er sinds twintig jaar aan; hij had het die ochtend zelfs voltooid in de tentoonstellingszaal, krachtens een speciale toelating: een uitzonderlijke gunst, waarin de vinger van God zich goed laat zien.'

Tags: 

Daan van Goldens parkieten

 Voor het foeilelijke en onhandige nieuwe Stedelijk in Amster­dam klaar was stond er een schutting om de bouwplaats. Daar werden verschil­le­nde kunstenaars op losgelaten. Ze mochten in het depot iets uitzoeken en daarmee iets doen.

 Schuttingkunst, van de nood en deugd. Begin 2008 was Karin Hassel­berg als eerste aan de beurt om de schutting van 108 meter, langs de Paulus Potterstraat en de Van Baer­lestraat aan te pakken.

 Ze koos uit twee catalogussen van het Stedelijk. In eentje uit 1984 was een fragment van 'La perruche et la sirene' (De parkiet en de sirene) van Henri Matisse per ongeluk ondersteboven terechtgekomen. Dat gebruikte ze.

 En combineerde ze met de 'Blauwe Studie' (1991) die Daan van Golden baseerde op dat zelfde schilderij van Matisse.

 Weer een parkiet. In juni jl. ging Karin langs bij Van Golden in zijn Schiedamse atelier. Toen ze hem haar plan vertelde besloot Van Golden om de pagina in zijn catalogus aan te passen. Hij zette een extra lijn aan de linkerkant van de blauwe parkiet, zodat de gouden omlijsting - waar een gat in zat - compleet was.

 De parkiet is een 'grafische' vogel. Zijn silhouet in de winterse esdoorntoppen achter mijn balkon van een grote schoonheid. De manier waarop hij zit, altijd boven in een ‑ in dit seizoen kale ‑ tak laat zijn silhouet tegen de lucht afgetekend - of uitgeknipt - uitkomen.

 Daan van Golden is gestorven. Hij kan niet langer zijn iconische parkietbeeld en dat van Matisse verdedigen tegen de afkeer van de Amsterdammers en andere Hollandse stedelingen die het maar niks vinden, die lawaaiige, allochtoonse indringers.

Harley Weir

 'Boundaries' heet haar tentoonstelling in Foam. Wat ik er meteen bij denk is de oude vraag uit de rock 'n roll: 'Is het erg genoeg?' Want daaraan mankeert het zo vaak in nieuwe fotografie.

 Bij Harley Weir geen gladdigheid, geen reclame-esthetiek. Grensgevallen zijn het, in alle betekenissen. Bijzaken die hoofdzaken worden. Details die opeens naar voren komen.

 De Londense Weir (1988) houdt van roodharigheid. Wat in haar portretten - ze doet ook modefot­ogr­afie, meteen grensgevallen meebrengt. Niet-slicke, ongewone poses. En dan volgt het inzoomen op het menselijk lichaam, het hercomponeren van het lijf tot in de onkenbaarheid zoals in Foam te zien is.

 Zijn dat? Ja dat moet haast wel.. Nee, want dan zou.. Nee, je zou het moeten proberen..

 Grenzen, esthetische, sociale, kun je laten zien, je kunt ze overschrijden, er om lachen. Ik liep Foam uit met een giech­el. Grenzen. Weir loopt er met haar - altijd analoge - camera tegenop, neemt er geen genoegen mee en stelt zich teweer. Zoals in Israël tegen de muur die de Palestijnen op een afstand moet houden. Daar begon ooit haar grensbesef, dat zich doorzette tot in het kleinste detail. 

 Wat ze ophing heeft een associatieve samenhang, zei ze. En zo blijf je staan kijken.

En profil

 Een van de raadsels van de Egyptenaren is waarom zij zich in tekeningen, reliefs en schilderingen altijd 'en profil' lieten afbeelden. Alleen een oog keek je aan. Van de meeste dieren zie je ook maar een oog tegelijk, misschien zat het hem daarin. De enige Nederlander die er bij mijn weten over schreef was Lodewijk van Deyssel.

 Hij kwam er zonder twijfel op omdat hij gefotografeerd moest worden, terwijl hij scheel was, zijn linker oog keek 'naar buiten'.

 Eens liep hij voor z'n biograaf Harry Prick - die me dit vertelde - uit, keek met dat ene, loensende oog achterom en zei schertsend: 'Ik neem u waar'. In 'Goddelijke gevoelingen' vind ik deze regels over het profiel: 

 'Men ziet in dat profiel iets, namelijk een menschenschoon­heid van den eersten rang en in de face ziet men een knoeiboel. Datgene, wat als hoofdzakelijk levenselement iets van den eersten rang in zich had, had een ander element dat het Geheel verknoeide. Dit is het hoogste en meest wezenlijk tragische.'

 Van Deyssel ziet in de 'face' een 'kleinburgerlijk (zij het deftig of met gevoel van eigen waarde aangedaan burgerlijk) kopje, met een vorm van gedruktheid, of bekrompenheid daarin. En nu is buiten-dien in dat burgerlijk kopje een verknoeying in de lijnen en trekken.'

 Maar of de Egyptenaren er ook zo over dachten? Ik zoek verder.

 De fragmenten in  'Goddelijke gevoelingen' (1998) werden gekozen door Harry Prick en uitgegeven door Reservaat. 

ps. Natuurlijk kijkt het Egyptisch oog je aan, terwijl de neus naar voren wijst.. Van Deyssel heeft iets Egyptisch..

Parijs negentienhonderd

 Ingmar Heytze maakte een bloemlezing uit de gedichten van Guillaume van der Graft (1920-2010), die hij gekend heeft. Ze ontmoetten elkaar in 1998. Heytze zei 'Ik dacht dat u al dood was!'. Van der Graft: 'Dat schijnen wel meer mensen te denk­en.'  Een ontmoeting die samenvat waar het bij Van der Graft om gaat. Hoe in een gebeurtenis leven en dood samenkomen. Zoals in 'Vogels en vissen':

 Ik zat in de bioscoop/ en keek naar een film van Parijs/ negentienhonderd.

 De tijd werd spotgoedkoop/ en de mensen leken niet wijs,/ ik zag verwonderd

 hoe men zich repte als vogels op glad ijs,/ de vrouwen het staartje omhoog,/ de mannen de snavel omlaag,/ het navelstaar­tje,/ het snavelbaardje.

 Wit waren de mensen en zwart/ en met een veel vloeibaarder hart/ dan wij die hard zijn en grijs.

 Wij daarentegen,/ wij bewegen/ ons vloeiend als vissen van celluloid/ zonder vleugelbeginsel/ en zonder dracht van poten.

 En ik bedacht:/ ik ben zelf onverwachts onder het ijs geschoten/ van dit bevroren paradijs/ waar men lacht om Parijs/ negentienhonderd.

 Maar als ik weer opduik/ en kom uit het wak van De Uitkijk/ en sta op de Prinsengracht/ onder de bomen,/ dan kan ik mij niet vergissen: vogels en vissen/ werden geschapen op een dag/ en morgen zullen de mensen komen.

 

ps. De gedichten zijn niet gedateerd, hoeft ook niet. 

Tags: 

Onveranderlijk

 Het wonder van het Oude Egypte is dat er duizenden jaren lang niks veranderde. Zoals de Nijl elk jaar het land vruchtbaar maakte en de zon opging, zo waren er vorstenhuizen, overeind gehouden door ambtenaren en een hofhouding, ook wel 'harem' genoemd, eeuwen lang.

 Ook in de kunst veranderde tussen 1500 en 1000 zo goed als niets. De afbeeldingen in Leiden bij Koninginnen van de Nijl laten dat goed zien. 

 Stel het je voor, die onveranderlijkheid. Verandering is bedreigend. Waar beweging is komt die van een paar koninginnen. Nefertiti, Hatsjepsoet. Dat kon omdat de vrouwen vrij veel vrijheid hadden, zolang ze voor nakomelingen zorgden. Soms hadden ze religieuze taken en werden er tempels voor ze gebouwd.

 Het dynastieke steekt altijd weer de kop op. Nu weer bij het Koreaanse vorstenhuis van Kim Jong-un.

 Er is een schitterende maquette van de graftombe van de koningin Nefertari, Wat opvalt is de strenge decoratie, de soberheid. Een cultuur die Pyramides bouwt weet van zekerheden.

 Het hemelgewelf was een reuzenklok, die draaiend gehouden moest worden met offers op aarde, vooral door de Farao.

 Maar het mooist vind ik de onderwereld. Een tunnel waardoorheen de zon 's nachts reist. Een tunnel die ook een godin was, die de zon inslikte, door haar lichaam liet reizen en 's ochtends herboren weer uitspuwde in het Oosten. Zoals het zaad van het graan in de wintertijd ondergronds rust en in het voorjaar weer opkomt.

 En zo door. Het heeft het langer uitgehouden dan het Christendom.