Bed

 Jaren sliep ik met z'n tweeën in een eenpersoonsbed. Dat kan op verschillende manieren. Je vouwt je met twee ineen. Vaak stak een knie of el­leboog buiten boord, maar het huis was centraal verwarmd. Mijn rechterpols met het horloge schaafde langs de met geel­band gestucte muur waartegen het bed ges­choven stond, waardoor de wijzerplaat steeds werd gekrast. 'Hoe komt dat toch vroeg mijn moeder.' Nooit las ik iets over dit slapen tot ik bij Carmien Michels in haar bundel 'We komen van ver' het gedicht 'Bed' vond:

 'Dit bed waarin we niet passen/ dwingt ons te gaan liggen zodat we aan het frame voldoen

Arm geplet onder romp/ nek geperst tegen hoofdeind/ tenen gevouwen in lotusstand

Waar bil het bed te buiten gaat/ of schouderblad de rand bereikt/ roept het bed onverbiddelijk/ de fijnzaag

Overtollige huid vet bot/ ploffen boven op onderschepte gedachten/ en versneden schaamlippen

Denk maar niet dat we ze zomaar/ wanneer we het bed verlaten/ opnieuw kunnen aanpassen/ als kledingstukken/ vergeten in de kroeg

Wat ooit als gegoten zat ettert in ons geweten/ daar waar we het bed/ verraadden in zijn intiemste veren

Spookpijn op plaatsen/ waar we ledematen verkozen/ boven lidmaatschap/ plassen nooit meer hetzelfde

Schaaf onze lijven bij/ boen ons binnenwerk/ snijd deserteren uit onze woordenschat

Wij willen de matras zijn/ bloed en bodem van dit beschaafde bed/ dat we bovenal aanbidden'