Geurig

 'Ik was me dat ik niet stink', is de regel van Jan Arends die ik opgeef als me gevraagd wordt 'de mooiste zin uit de Nederlandse literatuur' te geven. Dit om de kwaal van 'de beste, de mooiste, de belangrijkste' te bestrijden.

 Op 2 september begint de Vorlesebühne weer in de Utrechtse molen De Ster. En Bernhard Christiansen adopteerde deze zin van Jan Arends als thema. Het wordt een geurige avond. Op de angst te stinken berust een hele industrie van overstemmen met 'luchtjes'. Maar hoe weet je dat je stinkt? En hoe erg dan? Immers je kunt jezelf niet ruiken. Of? Ja, soms word je iets gewaar, er ontsnapt je merkbaar iets. En dan moet het wel of.

 Over zoiets praat men niet. Nu wel dus. De geur van ongewassen mensen in ongewassen kleren is merkwaardigerwijs overal de zelfde. Zouden ze zichzelf ruiken? Oorlogshumor. In de Tweede Wereldoorlog at men veel uien. In de tram liet een man een luidruchtige wind. Zijn medepassagiers zagen wie de schuldige was. Waarop hij zei: 'Geen nood mensen. Allemaal een snufje dan is ie zo op.'

 Voorbij. In de tram van nu ruik je shampoo, vooral 's ochtends op toeristentrajecten. Soms natte jassen. De angst voor de ander is toegenomen. In de herbergen van de Gouden Eeuw sliepen alle gasten in een groot bed, behalve de zeer dure. Hoe het daar rook? Het antwoord moet wel zijn 'ze roken het zelf niet'.