Hans Fallada als junk

 Hans Fallada (1893-1947) kruipt al schrijvend in je hoofd. Al lezend komt de benauwenis over je van de junk die zonder zit. Morfine in zijn geval. De visioenen liegen er niet om: 'Ik ben overal, ik ben alles, alleen ik ben de wereld en God ineen. Ik schep en ik vergeet en alles vergaat. O zingend bloed. Dring nog dieper tot me door, vriendin, breng me in nog wild­ere verrukking.' Die vriendin is de morfine.

 En hij legt uit: 'Morfine betekent stille, milde gelukzaligheid, wit en bloemig, ze maakt haar volgelingen gelukkig. Maar cocaïne is een rood roofdier, het middel pijnigt je lichaam, de hele wereld wordt wild, verwrongen en vreselijk (...) en wat je ervoor terug krijgt zijn slechts luttele ogenblikken uitzonderlijke helderheid van geest, het vermogen de meest onalledaagse verbanden te leggen, en een pijnlijk scherpe luciditeit.'

 Als hij tenslotte op kantoor geld steelt om zo in de gevangenis te komen, bij wijze van afkickkliniek blijken het voorlopig arrest en de cold turkey samen dwangvoorstellingen op te leveren. Over bijvoorbeeld bedwantsen. Hele nachten loopt hij door zijn cel op zoek en drukt ze dood. Iedereen in voorlopige hechtenis heeft wel een obsessie waaro­ver hij steeds moet praten. Het personeel wordt er gek van.

 Je kunt niet tegelijk een goed verhaal schrijven en junk zijn, en in voorlopige hechtenis toch ook niet meer doen dan aantekeningen maken. Vertaler en Fallada-biograaf Anne Folkertsma licht toe hoe de schrijver van 1918 tot 1926 verslaafd was aan alcohol en drugs en in gevangenissen en klinieken zat. Pas in 1929 schreef hij dit nu vertaalde 'Zakelijk bericht over het geluk morfinist te zijn'. Daarna pas kwamen zijn grote romans als 'Kleiner Mann was nun'.  

Tags: