Johan Maelwael

 'Maelwael' zou een naam kunnen zijn van iemand die goed schildert: 'Maal wel'. De Nijmegenaar Johan Maelwael bereidde aan het Bourgondische hof in Dijon de komst voor van zijn neven, de gebroeders Van Limburg, bekend van het adembenemende getijdenboek van de Duc de Berry.

 Bij deze familie, niet bij Jan van Eyk begint de schil­derkunst van de Lage Landen. Nu te zien in het Rijks. Waar je ook kunt leren dat het woord 'schilder' denkelijk komt van het maken van wapenschilden van adellijke families, waar hij goed in was.

 Nijmegen dus, waar ook de voorzaten van Jeroen Bosch vandaan kwamen. Het verhaal staat in 'Grondleggers van de Nederlandse schilderku­nst' van Verhoeven en Stufkens, met net de goeie reproducties.

 Johan maakte ook het eerste olieverfschilderij op doek. Hij is een voorloper van de Hollandse school waarin details spreken. Zoals de oogopslag van de paarden, de altoos meelevende dragers van jonkvrouwen en krijgers - aangekleed, gekamd en geborsteld - en vooral de gezichtsuitdrukkingen van mannen en vrouwen, die voor het eerst sinds de Middeleeuwen tot leven komen. 

 Er hangen twee zekere Maelwael schilderijen - hij signeerde niet, zomin als zijn neven - waarop je dit van nabij kunt volgen. De 'Grote ronde piëta', met meisjes die hun handen voor het gezicht slaan als om de dode niet te hoeven zien, en vooral een grijsharige, bebaarde God de vader met berustende, neergeslagen ogen die zijn zoon van achter onder de oksels vasthoudt. En dan de zogeheten 'Vlindermadonna', een moeder met kind wier hoofd omfladderd wordt door vlinders. Terwijl het kind van een engel een kers krijgt, waarnaar het zijn vingers uitstrekt. Uitleg hoeft dan niet.

Tags: