Knars en piep

 Ik dacht aan de huizen waar ik woonde, de bedden waarin ik sliep. Hoe ze piepten of kraakten als ik er in ging liggen of me omdraaide in halfslaap.

 Veel geluidswoorden zijn er niet. Meest onomatopeeën. Water klotst of kabbelt. Deuren knarsen of kraken. De wind suist of giert. Motoren ronken of knetteren. Maar dan is het al snel op. Voor het Haagse tuinhekje sta ik al met m’n mond vol tanden. Is dit piepen?

 Ik ben veel verhuisd. Telkens veranderden de lichtval, de geur, de afstand tot muren en vooral de geluiden. Hoe deuren dichtvielen of kraakten in hun scharnieren weet ik nog van ieder huis. Behoedzaamheid leer je aan het sluiten van deuren. Ze onhoorbaar in het slot trekken. Toch is geluid soms in woorden te vangen. Dat merk je in de bundel De geluiden van Paul Meeuws. In het donker komen ze tot je. Zoals in deze 'Nocturne':

 't Is pikkedonker waar jij als een oor gekruld ligt./ Het kan niet dicht zoals het oog/ of als het raam waartegen de vuurdoorn krast.

 Het spitst zich, zoals de nacht/ op het blootgewoelde ik de blik scherpt./ Als een vuist lig je gebald.

 Gegil onttrekt zich aan het zicht./ Gebonk is van het diepste zwart gemaakt./ Van een verre brommer slaat lawaai/ de kortste weg naar jou in./ Stopt abrupt.

 Hoewel niet minder dan die van een stilgevallen hart/ en even plechtig als de kennisgeving later/ is deze stilte haast een weldaad.

 Je draait je om maar voelt/ de vreemde pasvorm van een onbeslapen bed./ Dat opgerolde liggen, als van een kind./ Een jongen, zeventien hooguit.