l’Ennui du Tour

 De etappe van gisteren was van de vanouds bekende, onbegrijpelijke wanhoop. Van Düsseldorf naar Luik over vlakke wegen. Met alleen de valpar­tijen door de regen als vertier. Waarmee meteen de dodelijke verveling van de zomers van toen werd opgeroepen. Waarin de tijd alleen nog gemeten werd in voorspr­ongen en achterstanden, in koplopers en achterblijvers. En alle andere tijd verviel.

 Waarom er gisteren niet een enkel bergje in mocht? Geen idee. Bergen genoeg daar. En zo werd het de voorziene massasprint. Een hele dag met z'n allen fietsen en tenslotte het partijtje tussen de drie, vier zeer vlugge jongens.

 In de oude tijd was de Tour onzichtbaar en vrijwel onhoorbaar. Alleen radioverslaggever Jan Cottaar – de enige die iets zag - stond aan de finish en deed vijf minuten verslag van de aankomst. Waarbij hij vanuit zijn 'commentaarpositie' meestal geen goed zicht had op de finishlijn, zodat hij aan de Belgische collega moest gaan vragen wie gewonnen had. Meestal was dat Darrigade of Hassenfor­der, een Elzasser die je op z'n Frans moest uitspreken.

 Dat was het. Daar wachtte je de godganse dag op. De wedstrijd speelde zich in je hoofd af.

 Zo verliepen Tourzomers in een roes van gespannen wachten op zo goed als niets. De bergen kwamen en de Neder­landers vielen uit, want die konden niet klimmen, op een na, de Limburger Jan Nolten. Die een keer veer­tiende werd. Ik knipte de uitslagen uit de krant en streepte door wie uitgevallen was. Tot Louison Bobet of Anquetil, 'monsieur chrono', weer gewonnen had en gehuldigd werd op de wieler­baan van het Parc des Princes.