Lange broek

 Mijn eerste lange broek was een groene corduroy plusfours, die ik kreeg in Eerbeek op de Veluwe, waar jongetjes overalls droegen, ik tot dan toe ook.

 Het drama openbaarde zich na de verhuizing naar Den Haag waar ik de enige was in plusfours, die daar drollen­vanger heetten. Ik was net zo belachelijk als de broertjes Joop en Henk in Het taaie ongerief van Theo Thijssen - nu terug te vinden in de dundruk uitgave van Van Oorschot 'De zwembadpas'. Ook hun eerste lange broeken zijn gekocht door een moeder die niet begrijpt hoe een jongen er bij moet lopen.

 Ze staan als volgt beschreven uit de mond van tante Daatje, tijdens de nieuwjaarsvisite: "'t Zijn volslagen diamantslijpersbroeken, nauw aan de knie, wijd van onderen. Ze had uit d'r ogen moeten kijken. Dat ziet toch iedereen, dat zijn geen broeken voor die jongens. U hoorde toch wat Hein direct zei? 't Is bespottelijk.'

 Nu zou je zeggen bell-bottom. Er is een 'griezlig gewapper om je benen.' De jongens weigeren ze te dragen. En Moeder? Die laat ze verdwijnen.

 Mijn broer en ik durfden dat niet, we lieten onze plusfours zakken tot het elastiek op de schoenen hing en zie, er kwamen winkelhaken, na een klimpartij over prikkeldraad. Het terlenka tijdperk was aangebroken.