Matthijs Maris

 Op de grens van zien en niet zien, daar vind je Matthijs Maris (1839-1917). Hij kwam daar pas aan op het laatst van zijn leven, maar de aanloopjes zijn talrijk. Nu te zien in het Rijksmus­eum.

 Er niet zijn zonder werkelijk te verdwijnen. Het is de wens van menigeen die de wereld slecht verdraagt. Matthijs bereikt het toenemend in verf. De streek van de kwast is hem al te uitgesproken. Uit ooghoeken zien, door oogharen, dat is net te verdragen.

 Dan opent zich een andere wereld, die van de dromerij.

 Een ternauwernood zichtbaar meisje dat hij schildert heet 'De droomster'. Ze is er, maar ook niet. Je moet lang kijken voor ze uit de nevel opdoemt.

 Liefst wilde hij alle sporen van het maakproces uitwissen. Zijn technieken om het grensgebied van de zichtbaarheid te bereiken zijn onderzocht en worden in het Rijks uitgelegd: hij bracht verflagen aan, poetste die deels weer weg, begon met donkere­ tinten, de lichtere kwamen bovenop, waardoor een goudgeel zweem ontstond dat het dromerige karak­ter versterk­te. Jongeren als Toorop en Jan Veth bezochten hem in zijn Londense atelier. Ook Van Gogh was een bewonderaar.

 Hoewel hij uit een Haagse school-familie kwam heeft hij nooit een koe ges­childerd.