Rudy en Gerard (3)

 Bij een uitgeverij waar een boek van een weder­zijdse bekende werd gepresenteerd trof ik Rudy Kousbroek op een bankje in de gang. 'Ja,' zei hij, 'ik versta er toch niks van.'

 'Ik ook niet,' zei ik, en liet hem mijn hoorapparaatje zien, dat lang niet genoeg hielp om te volgen wat binnen werd voorgedragen. Het interesseerde hem zeer, want hij wilde zoiets hebben voor zichzelf, maar ook voor zijn stokdove oude moeder. 'Het is erger dan blind,' zei hij. 'Ze denken namelijk dat je gek bent als je iets niet verstaat.'

 'Ja, je kunt maar twee keer vragen "wat zeg je", zei ik. 'En of ze willen articuleren helpt ook niet. Dan gaan ze eerst tegen je loeien en vergeten het weer binnen vijf minuten.'

 Daarna kregen we het over de onhandigheid van hoorapparaten. De luidsprekertjes zitten weliswaar in de oren, maar de microfoon­tjes op idiote plekken, vlak achter het oor. Terwijl, zei ik, je een microfoon juist onder de neus van de spreker moet houden. Nu krijg je allerlei ruis en lawaai van de akoestiek in de ruimte mee. Conclusie: Rudy's moeder zou een klein recordertje moeten krijgen met een Sennheiser microfoon die ze op haar gesprekspartners kon richten. 

 In zijn brieven 'Seks natuurlijk, maar vooral orde' vertelt Rudy aan Gerard Reve hoe hij bij de KNO-arts in 1982 overweegt of er een verband is met 'de 48 oorvijgen die ik op mijn tiende of elfde heb ondergaan', op het Indisch internaat. Bij mij was de vraag of al die popmuziek de schuld was. Ook niet.  Bij allebei was het denkelijk erfelijk.

 Gerard Reve vond het ('klein gebrek geen bezwaar') geen punt. 'Doof is niet erg, Ja, een kale jongen kun je overal krijgen.' Hij ried me aan een ovalen plaatje op het achterspatbord van mijn fiets te laten monteren met 'SH' (slechthorend) erop, wit met rode strepen, zoals vroeger. Maar dat bestond niet meer.

 Rudy besluit een brief zo: 'Binnenkort meer. Nu moet ik mijn oude, dove kop gaan wassen, om er straks niet al te weerzinwekkend uit te zien als Sarah thuiskomt. Treur niet en tot binnenkort.'