Zwaluw

 Er zijn momenten dat je tussen hemel en aarde staat. Er­gens op een rand, aan een raam. Tussen vloer, hoogte en diepte. En dat het om het even lijkt, in de zwaluwentijd. Je ziet ze buitelen en scheren. En er is denk je maar dat nodig of je gaat ze achterna. Daarover schreef de Rus Alexander Koesjner een gedicht:

 'Wat zijn we er toch vast van overtuigd/ Dat wij van een balkon een zwaluw/ Niet zomaar achterna gaan, onbesuisd,/ Halsoverkop, verstrooid, vol afschuw,/ Toevallig, onnadenkend, ongeremd,/ Met opzet, halfbewust, verbeten.../ Wie heeft die overtuiging ingeprent/ Die wij van oudsher in ons weten?

 Alleen een wiebelige reling scheidt/ Gezond verstand van pure waanzin/ Anders zou zelfs een mummie, neergevlijd,/ Een zwaluwvlucht niet kunnen aanzien./ Het kleine witgerugde silhouet/ Zou zij dan volgen, halfbezeten,/ De laatste, zoete angst opzijgezet,/ Verwonderd om haar eigen schreden.’

 Het staat in z'n bundel Apollo in de sneeuw, pas vertaald door Peter Zeeman. Uitgegeven bij Koppernik.