De ontdekking van de levenslust

 De ongecompliceerde, van het leven genietende gewone man of - vooral - vrouw. Of het verzinnen ervan? Door vooral schilders in Antwer­pen en Duitsland (maar ook Lucas van Leyden aldaar) in de vijftiende en zestiende eeuw.

 Boijmans laat het zien in De ontdekking van het dagelijks leven, van Bosch tot Brueghel samengesteld door Friso Lammertse en Peter van der Coelen. Een klaterende voorstelling van vooral levenslust, muziek, seks en grappen. Waarbij de religie zoetjesaan een bijrol krijgt. Een enkele courtisane krijgt nog een zalfpot mee en heet dan Maria Magdalena. Maar wat was waar en wat fantasie?

 Schilderijen van bordelen werden goed verkocht. Zeker als de bezoeker de Verloren Zoon bleek. Maar bordelen kon je als welgestelde misschien beter aan de muur hangen dan er heen gaan. Geslachtsziekte dreigde. De waarschuwing, het oude excuus voor geile kunst.

 Maar waar komt het idee toch vandaan? Die Bruegheliaanse, carnavaleske vrolijkheid onder de boeren. Oeroud moet het zijn. Die boerenopstanden, honger en plunderende legers trotseerde. Je vindt het in het Herfsttij der middeleeuwen. Totaan Versailles toe waar Marie Antoinette zich verkleedde als boerin in een pseudo-boerenstulpje achter het paleis, ver van het hofprotocol. De vors­tin hoedde er - geparfumeerde - schapen en bezocht de hooiberg.

 Het melkmeisje, dienstmeisje. De meiden op weg naar de markt zoals je ze in de door Annemieke Houben verzamelde Vieze liedjes terugvindt. In het hooi? Op het veld?  

 Het is een lang verhaal naar het Carnaval der burgers van Ter Braak en de kermissen van Edgard Tytgat.

 De burgers leefden in benauwdheid en jaloezie en idealiseerden de boeren. Kochten schilderijen en prenten van de prachtige losbandigheid die nu in Boijmans te zien is. Waarin de spot wordt gedreven met hun spaarzucht - de vrek is standaardgrap en preutsheid. De huwelijksmoraal ach jee. In de bordelen wordt er korte metten mee gemaakt.

 Het is nooit opgehouden, waren het niet de lower classes die de rock'n roll uitvonden.

Paul Nobles anaal universum (1)

 Wie het in deze wereld niet redt kan een andere ontwerpen. Als heenkomen, veilig of? Utopia, dystopias, het verschil is niet altijd duidelijk. Paul Noble (1963, Whitley Bay, Noordoost-Engeland) werkt al twintig jaar aan zijn Nobson. In Boijmans zijn drie grote zalen aan die andere wereld gewijd, getekend, gebeeldhouwd in reuzenformaten. Mensen zie je er weinig, meest houden ze zich schuil, want onderwerelden zijn er ook in Nobson.

 De stoelgang is tot deze wereld de sleutel. Er is een film waarin uit een overbelichte vrouwenkont heel langzaam en sierlijk een drol tevoorschijn komt, als ware het een geboo­rte.

 Meteen in het begin zie je in Boijmans een reeks tekeningen met Nobles scheppingsverhaal. God is een drol. En hij schept de bewoners van Nobson naar zijn beeld. Nobles wereld wordt bewoond door drolloïden. Zoals ze door kinderen getekend zouden kunnen worden, rechtstaand in de pot, met een puntig uiteinde van boven waar ze het lichaam hebben verlaten. Met oogjes ook. Geen beentjes of armen zoals Robert Crumb - groot inspirator - het deed.

 Nobson is een anaal universum. In de zalen staan dan ook grote beelden van drolfiguren. Het werk van een anale fixaat die laat zien dat er een anale esthetiek denkbaar en uitvoerbaar is. Maar er is meer. Nobson is behalve uit stront ook opgetrokken uit kalkstenen elementen, een averechts soort lego waaruit ruïneuze droomvoorstellingen oprijzen die herinneren aan Breugel, Jeroen Bosch of Escher. Als stadsplanner is Noble verwant met Ledoux of de bouwers van het lemen Timboektoe, als tekenaar weer met pioniers van de psychedelische underground-comix als Victor Moscoso.

 En daarmee is nog maar een fractie gezegd van wat er in Boijmans op je af komt als je binnengaat in het hoofd van Paul Noble.  

Prinsessen

 Uit de middeleeuwse hoofse liefde zijn ons de prinsessen gebleven. In sprookjes, vaak met nu vergeten gruwelvarianten. De schilder Edgard Tytgat ‑ ik zit achter hem heen ‑ overbrugt in z'n werk de genres en de eeuwen. In het land van Breughel, Delvaux, Ensor, Tijl Uilenspiegel springt Tytgat van kermis naar sprookje en terug. Tussenbeide treden beulen, monniken en nonnen op.

 Zulke verhalen schildert hij, middeleeuws, met meerdere episoden op één doek, zoals dat van de zes prinsessen die door nonnen kaalgeschoren en gestraft worden voor hun losbandigheid.

 Bijschrift: 'omdat ze bij het herdersspel hun maagdelijkheid hebben verloren... ontneemt de koning aan de zes prinsessen het leven... god, meer genadig, maakt engelen van ze.. En kijk, bovenin zie je de zes ten hemel vliegen..'

 Bij Tytgat schemert de kermis er altijd doorheen. In zijn huis in St. Lambrechts‑Woluwe onder Brussel had hij een zorgvuldig nagebouwde en beschilderde draaimolen. En wie wil weten wat prinsessen met kermis te maken hebben hoeft maar te gaan kijken naar de reuzen‑kermisorgels van Mortier, in het Brusselse Jubelpark‑museum.

 Edgard Tytgat was erom bekend dat hij zelden zijn goede humeur verloor.

Babel (2)

 De eerste fantasie in architectuur, de beste onmogelijkheid is het zeer grote.

 Wat is er met het zeer grote gebouw? In Lille zie je de torens van Babel die na die van Breughel ontstonden. Allemaal bedoeld om langs een stijgende rondweg met karren naar de hemel te rijden. Jan Breughel moet zich al op de kop gekrabd hebben. Een Ziggurat die tot in de hemel zou reiken? Maar wat zou dan toch de diameter van de basis moeten worden? Zijn toren kwam niet af, zo min als die van z’n opvolgers - in Lille zijn wel vijf torens te zien - ook al schilderden ze wolkjes om de top.

 Er wordt gebouwd, ook met behulp van takels om stenen te hijsen, maar het idee van een lift - bijvoorbeeld opgetrokken door paarden - kwam bij niemand op. Heeft Leonardo al een lift getekend?

 Als verhaal leek het nog wat, en de spraakverwarring een gerechtvaardigde maatregel om 's mensen ijdelheid af te straffen. Maar wie de schilderijen in Lille bekijkt ziet in een oogopslag het vergeefse van de poging. Laat maar bouwen, hoogmoed straft zichzelf. Daar heb je geen God voor nodig.