Monika Rinck en het lichaam

 Er werd door mijn moeder met grote omzichtigheid over gesprok­en. Alsof ik eigenlijk geen lichaam had. En zij ook niet. Zo leefden wij lichaamloos voort.

 Waar dat niet te vermijden was, als het ging om sanitaire handelingen, leerde ze me wonderlijke eufemismen, die ik nooit ergens anders heb gehoord. Over seks werd helemaal niet gesproken. Op een dag kwam mijn vader de trap naar mijn zolderkamer op geslopen  - waar hij anders nooit kwam - en legde een boekje neer: 'Stippellijnen voor jongens'. Dat moest ik maar eens lezen. En maakte dat hij de trap weer af kwam.

 Wat ik moest weten leerde ik wel op straat. Pas later ontdekte ik dat ik het zelf was, dat verzwegen lichaam. En hoe het mijn geluk en ongeluk bepaalde.

 Miek Zwamborn - die ook haar bundel 'Honingprotokolle' vertaalde, bracht in Tijdschrift Terras een gedicht van Monika Rinck over de verstrengeling van lichaam en geest. Die ook haar blijft verwonderen. Getuige 'Bries':

  'Vreemd toch hoe lichamelijk de treurnis is.

Als een verbinding die zich niet laat ontbinden

omdat het er geen is, omdat het veel meer een sfeer is,

de grootste aller sferen is waarin alles nabijheid is.

De treurnis, vreemd hoe diep die in het lichaam ligt,

als je niet weet waar de diepste diepte van het lichaam is,

moet je maar bekijken waar de treurnis ligt.

Bries. Hoe lichamelijk toch de treurnis is.'

Raketpost

 Toen ik hoorde dat vriendin Miek naar een Schots eiland zou vertrekken vroeg ik allereerst naar George Orwell, die in de jaren 1945-1949 op zo'n eiland als boer leefde. Moest ze dan ook elke ochtend in haar dagboek noteren hoeveel eieren de kippen hadden gelegd? Ja, dat zou ze zeker gaan doen.

 Ik dacht aan de postbezorging op verre eilanden waarvoor de Royal Mail bij ruw weer als er niet gevaren kon worden raketjes gebruikte, die neerkwamen aan parachutes, met speciale postzegels. Ook voor voedsel.

 Al in 1934 werd raketpost afgevuurd naar de Schotse eilanden, 1200 brieven tegelijk. Helaas ontploften de eerste raketten. Maar het ging verder.

 Denk dus niet dat Internet alles heeft opgelost. Onze steden barsten van de koeriers die Internet-aankopen moeten bezorgen. En de eilandbewoners dan?

 Buizenpost was mijn eerste ervaring op dat gebied. Wat met perslucht werkt. 

 Voor pakketten lijkt het ideaal. In Parijs werkt het oude systeem nog steeds, zij het totaan de periferique. Daarbuiten komen de brommmertjes.

 Toen in 1969 in de radiovilla van de VPRO een snelle verbinding tussen de studio en de telefoonredactie moest worden aangelegd was daar de buizenpost met briefjes in kokers. En nu zeer gezochte Rohrpostzegels.

 En let op: de toekomst van het Internetkopen en -bezorgen ligt in de buizen­post. En als het om afgelegen plekken gaat worden dat drones. Als Miek in Schotland straks zonder spliterwten zit laat ik ze bezorgen per dronepost.

 Wie ontwerpt het eerste Dronezegel?

De albumbladen van Jan Kuijper

 Het weldadige van goede gedichten is dat er te raden overblijft. Raden, een heerlijke bezigheid. Voor de bundel 'Aanmatigingen', sonnetten van Jan Kuijper, geldt dat eens te meer. Het zijn 'albumbladen' voor zesentwintig dichters. Alsof die hun poëziealbum bij Jan hebben ingeleverd. Bij elkaar vormen ze een 'onontkoombaar verhaal van afscheid en ontluistering' zegt de achterkant. En de eerste regels komen uit het werk van de dichters. In het album van Miek Zwamborn schreef hij: 

 'En nu met triomf van schieten (zwarte zonnen)/ bannen wij de dufheid en verveling uit./ Eerst de aardfonteinen, later het geluid-/ je ziet, er is iets ongehoords begonnen,/ iets als de rol van honderdduizend tonnen/ die van de brug af komen, niemand die ze stuit,/ in de oren eerst de donder, dan de fluit/ die aangeeft; het gehoor is overwonnen.

 Ben ik dan dood? Dat is niet te geloven -/ dan zou ik niet beseffen wat ik mis./ Denk jij van mij dat ik de klap te boven/ kan komen, dat het ergste wat er is/ iets moois kan baren - dat een blinde en dove/ triomfen viert in stilte en duisternis?

Onderzees

 Het nieuwe nummer van het tijdschrift Extaze gaat over water, over zee. Toch zijn er maar twee bijdragen waarin de wereld onder water gaat spreken. Willem Brakman beschrijft wat hem daar bij de geslachtsdelen wil grijpen en Miek Zwamborn die de zee kent, hem bevoer op een booreiland, sluiswachter was, maakt het zacht golvende onderzeese leven zicht- en voelbaar, geeft het een meervoudige stem in 'Onderzees'. Waaruit deze passages:

 Wij zijn groot en alom, zwieren los van elkaar, wij bestaan nooit uit ik, wij zijn wij, Laminaria digitata, geen zwerm kudde of school, toch altijd met veel, talrijk en talloos, ontelbaar verspreid, wij spannen samen, innig verstrikt of separaat waaiend in bossen vol vliezige vingers.

 Wij staan rechtop in de stroom, blijven zuiver van loof zonder tak of stam, wieren uit onder spiegels van water, niet dun gezaaid maar in groten getale, uit onze hoofdbladen groeien lovertjes.

  (...)

 Bevochtig ons, wij hebben drijflichamen, wij zijn meegaand van aard, wij bezien het gebeuren, wij grijpen niet in, wij betijen, we passen ons aan, zijn ontwikkelbaar, deze tijd is onze tijd, dit water ons water. Wij volgen de golven, zijn opportunisten, wij verdragen slib, penetrerende zonnestralen, verzuring en droogstelling aan lucht bij eb. 

 (...)

 Toch belagen graaigrage schepen ons, klitten netten in ons, men verpulvert ons, maalt ons en hapt in ons, maar sidderroggen zoeken nog altijd hun prooi in ons, vliegende vissen en zeeoren schuilen in ons en rifbaarzen leven in ons.

 Laat de zeeën koel en rustig stromen, wij worden broos aan land of raken bezonken, wij willen wieren, zijn onverstoorbaar, wij zijn met zoveel.

Tags: 

Den Haag en het verdwijnen

 Vandaag Miek Zwamborn rondgeleid door de stad waar zij een halfjaar verbleef in het Gemeentemuseum, een tentoonstelling maakte en het boek Getemde hemel. Maar waar ze niet veel wist. Het miezerde, de hele dag.

 Kijken naar wat weg is en altijd blijft. Zoals het huisje bij het eindpunt van lijn 2, hoek Muurbloemweg, waar de tramconducteurs hun boterham aten. Straks doen ze hun uniformjasjes en gorden hun geldwisselapparaten weer om, waaruit zo makkelijk stuivers, kwartjes en dubbeltjes rollen. En dan op naar de Riviervismarkt.

 Vandaag kijk ik naar Metropole Tuschinsky, het Houtrustpaviljoen, het gebouw voor Kunsten en Wetenschappen en de MILVA-kazerne aan de Duinlaan, waar nooit meer een mevrouw-generaal naar buiten zal komen fietsen met bruine kousen en schoenen.

 Vreemder wordt dan wat er nog is. De Sportlaan, het Markenseplein, de Bevelandsestraat, de Frankenslag. Wat kan Den Haag stil zijn.

 Bij het huis van mijn grootouders is het oude zwartwitte huisnummer vervangen door een nieuw in blauw met witte cijfers. Als ik na zesenvijftig jaar door de brievenbus kijk is de vestibuledeur met het klikklak scharnier er nog. Voorgoed verdwenen: gangkastje met de twee zwarte hondjes die kleerborstels in de bek houden, weg ook de paraplubak. En alles zo wit geschilderd! Waar bleef het halfduister..

 Beter echt weg dan onherkenbaar.

 We besloten onze rondrit op de renbaan Duindigt, waar niemand was. Behalve twee paarden, maar die wisten het ook niet. Geruststellend, het regende of miezerde de hele dag. De ruitenwissers bleven wissen. 

Tags: 

Weer

 Het boek Getemde hemel van Miek Zwamborn, over haar verbl­ijf in het Haags Gemeentemuseum en daar te krijgen, bevat veel weer. Vanwaar? De zee is nabij. Onuitputtelijk het weer.  

 In zijn Escape from freedom legt Erich Fromm uit hoe mensen het zich toe-eigenen. Hij beschrijft – dit uit m’n hoofd - een havenstadje waar hij vakantie hield en proeven deed. Hij vroeg bewoners, vissers, wat het morgen voor weer zou zijn. Hun antwoorden hadden een grote schijn van deskundigheid. Ze keken naar de lucht, snoven en zeiden 'ik denk dat die wind naar het Oosten gaat ruimen en dat we morgen regen krijgen.' Hoe of ze dat wisten? Je kon het ruiken. Ze zagen het ook aan het gedrag van de vogels.

 Later hoorde Fromm op de radio dat het lokale KNMI regen voorspe­lde. Vrij waarschijnlijk hadden de vissers dat ook gehoord, maar ze gaven de voorkeur aan de schijn van eigen deskundigheid. Zo komen de meningen in de wereld, zegt Fromm.

 Het weer is overal, ook in ons. Weer is poëzie, Miek Zwamborn schreef: Magnetisch veld.

 

De windvaan draait

nu ik bedenk hoe adem geknipt

uit de diepste keel de lucht ruim

 

geraakt van de raaf en de hik

stokt midden in een zin

 

o abrupt gestaakte snik

is er iemand die met geopende

ogen de nies trotseert?

 

de snurk en kuch dempt

aan het lichaam ontsnapt blozen

 

verwaarloos het moment waarop

een toegedekt oor

verstilt op ijzerdraad.

Tags: 

Getemde hemel (3)

 In Getemde hemel, het boek waarin Miek Zwamborn neerlegde wat ze in een ruim half jaar verblijf in het Haags Gemeentemuseum aantrof, deze potloodtekening in een schetsboekje van Isaac Israëls. Gefotografeerd met haar eigen hand in handschoen zoals het hoort in depot, naast Isaacs ingepakte voet. En dan deze aantekening:

 'hoe komt een vogelveertje in de leeszaal? 

 op sommige maandagen kijk ik naar hoe men kijkt en wegkijkt, kort kijkt landschappen binnenstapt, zich herkent in het portret van iemand anders die stilzit. Hoe die paar lijnen gezet zijn, het hoofd denkt, al tekenend wordt de omgeving aangeraakt.'

--------

 'De voet van Isaac Israëls. Wat is er gebeurd? T.92-35 8 toont twee voeten in een bed, voeten die onmogelijk van iemand anders kunnen zijn dan van Israëls zelf. De linkervoet, daar is iets mee gebeurd, zit in het gips of verband en is dubbel zo dik. Alleen de rechtervoet draagt een sok. De voeten liggen iets omhoog op een kussen en kijken naar de eigenaar en naar mij. Ik schuif heel even Israëls voeten aan mijn enkels. Gek dat uitzicht, opeens kijk je naar je eigen voeten, die je zo vaak vergeet terwijl ze je overal heenbrengen.

 Komt het door de schetsmatigheid dat ze heel kort op de mijne lijken? Je ziet hoe de verveling zich van hem meester maakt, er is niets meer dan de spijlen van het bed, de deken, de voeten.

 Frappant om te beseffen dat de schetsboeken opgesloten in de doos ooit mee naar buiten zijn geweest, ze het zonlicht zoals dit nu in de leeszaal op hen valt herkennen.' 

het origineel, ong. 1945 uit het depot Mode

Getemde hemel (2)

 Vanmiddag hield Miek Zwamborn in het Haags Gemeentemuseum haar boek Getemde Hemel ten doop, de neerslag van ruim een half jaar werken als 'writer in residence' aldaar. Een boek als een verzameling, een ladenkast vol weer, wind en natuurgeweld.

 Deze wollen trui vond ze in het depot Mode van het museum, datering: Tweede Wereldoorlog. Herkomst onbekend. Bij haar afscheidsspeech droeg ze de replica die haar moeder en zij er van maakten. In het boek staat nu ook haar gedicht 'Trui alleen':

 De winter rekt armen uit

ramen worden verduisterd

dit is de jij en ikkesteek

 

in de kamer klinkt opeens jouw stem:

kijk de manchetten, ik heb ze verlengd 

kijk de oksels, ik heb ze weggelaten

kijk, alleen de kraag blijft over

 

mijn taak was het

weefsel dat luchtig

werd steek voor steek

toe te spreken

 

draden te vermanen

naalden te rapen

kleur op kleur

 

we beginnen de vacht van de hond

te spinnen met veren te dekken

de gaten te lijf en de draden te dik

wikkelen we af of spoelen we op?

 

er vallen woorden die we vergeten

er vallen gaten die worden gedicht.

Tags: 

Wind

 Mijn eerste kinderboek was De wind maakt grapjes van André Leunge met tekeningen van Martin Meijer (1947). De wind - dat is de clou - is de onzichtbare, je ziet alleen wat hij aanricht. Ik hoorde het met open mond aan, kreeg geen genoeg van de plaatjes. Daar was ie!

 In Tijdschrift Terras, nummer 8, vond ik een nieuw windgedicht van Miek Zwamborn, opnieuw aan de waterlijn. Uitspansel:

 Dwars op de wind loopt

een wezen van sneeuw

gewapend met spiegels

traag trekt het de zee achter zich

 

aan explosies van meeuwen

omcirkelen rukwinden van verdwenen dagen

omhoog valt de dag uit de nacht

 

landinwaarts vangt een staande hand

de koele adem wind

waait uit de ogen weg

 

wrikt 's nachts het spreken los

vloeit in handen uit tot meren.

 

 Miek Zwamborn is dezer dagen writer in residence in het Haags Gemeentemuseum waar ze haar werk laat zien in de expositie Getemde Hemel. Op 21 juni sluit ze af met een boek. 

 

Tags: 

Miek Zwamborn in Den Haag

 Betreed het Berlagezaaltje, boven links en je bent op bezoek in de werkruimte van Miek Zwamborn, Er hangen prints en schilderijen, er liggen gevonden voorwerpen. Ze schrijft weer en wind-tekst uit de literatuur op de muren, zoals Van Gogh het behang bij vrienden vol tekende als hij wilde laten zien waar ie me bezig was.

 En zo lees je het reisverslag van Willem IJsbrandszoon Bontekoe naast Slauerhoff en een keur aan vooral zeeschrijvers. 'Onse afgewagde groote mast lag de hele nacht en rick-ranckte onder 't vlack en op de zijd' van 't schip dat wij vreesden dat hij ons onder leck soude maecken. Het volck uyt het ruym riepen 'Hack alles af dat hem vast houdt en laet hem dryven..'.

 Werk in uitvoering. Er moet op 21 juni een boek van komen met teksten en afbeeldingen over de elementen in de kunst. Als iemand daar van weet is het Miek Zwamborn, ze was sluiswachter op Ijmuiden, voer mee op een booreiland waarover ze het verslag Oploper schreef en werkte in de bosbouw. Haar laatste boek De Duimsprong bracht haar hoog de Alpen op.

 Veel vond de eerste schrijver in residen­tie bij het Haags Gemeentemuseum in de depots, maar ze wandelde ook langs de waterlijn.

 Ik zou haar nog willen laten zien hoe Hagenaars hun spiegelruiten beschermden tegen inwaaien bij storm. Nog hoor ik windvlagen en glasgerinkel. Ze deden dat door bij hevige wind een lat tussen de twee daartoe bestemde haken te bevestigen, achter de ruit. Met in het midden een opgevouwen handdoek tussen het hout en het glas. Dat hielp.

 In Oploper noteerde Miek: 'De zee is rond. Waar ik ook kijk, ik ben altijd in het midden.'

Pagina's