De kladjes van Mondriaan

 In het Haagse Gemeentemuseum op de Stijl-expositie vond ik in een hoekje een paar tekeningen van Mondriaan. Uit een sc­hetsboekje. Ik herkende ze, uit een boek dat ik vele jaren geleden kocht. 

 'Two Mondrian sketchbooks' bevat naast tekeningen ook aantekeningen in potlood uit 1912-1914, gemaakt rond zijn veertigste jaar in Parijs. Later werkte hij ze uit tot essays in het blad De Stijl, maar deze kladjes zijn beter, directer. Over kunst en leven, man en vrouw.

 Zo staat er: 'Vrouwelijk: stilstaand, vasthoudend, tegenhoudend element. Mannelijk: bewegend - scheppend - uitend, voortgaand element.' 

 En dan: 'vrouw. stof - element, man. geest - element. 

 vrouw. horizontale lijn, man. vertikale -

 mannelijke artist. geestelijke vreugde, vrouwelijke artist. stoffelijke vreugde.'

 Daar heb je ze, de mannelijke en de vrouwelijke lijn.

 En Mondriaans redenering vervolgt dat de man lichamelijk verliefd is op de vrouw en de vrouw geestelijk op de man:  'Hierom bestaat de liefde van de vrouw langer.' En let wel: 'De geestelijke liefde van de man bestaat niet, omdat het geestelijke element in de vrouw zwak is.'  

 Maar deze teksten hangen in Den Haag niet in het groot aan de muur.

 De meest welsprekende staat trouwens op een laatste pagina: 'Mademoiselle Annette, Danseuse, 7 Rue Audran, Paris.'

Tags: 

De Stijl

 De Stijl jubileert, ook in Kunstschrift. Hoe Hollands, is achteraf het eerste dat opkomt, hoe Calvinistisch. Een tweede Beeldenstorm. De eerste richtte zich tegen de Roomse ornamentiek, De Stijl trok ten strijde tegen de ketterse versiering, dat grote kwaad in de kunst. Weg dus met de Jugendstil en Art Déco.

 De twee Beeldenstormen verwijderden met harde hand al wat overbodig en dus godslasterlijk was. De Stijl trok ten strijde tegen de burgerlijke 19de -eeuwse opsm­uk. Net als het Bauhaus. 

 Er was een concept voor een wijk, een bouwblok, ook binnenshuis. Zelfs in Dessau moesten de docenten hun huis inrichten volgens Gropius' instructies.

 Het individu met zijn grillen moest gedresseerd. Idealisten dus, die wisten wat goed was voor de mensen: licht en lucht. En die de geest van de tijd doorschouwden.

 Ik ken de fascinatie voor Mondriaan en de zijnen van jongsaf. Het tot de kern, de essentie terugbrengen van het geziene, het abstraheren. Mijn hele jeugd bezocht ik het Haags Gemeentemuseum en vergaapte me. De wereld ordenen, bedwingen. Tot de orde roepen.

 En zo moet je nog steeds naar België om rare gebouwen te zien. Zodra je de Hollandse grens passeert treedt de rechtlijnigheid in.

 Pas de laatste jaren wordt er grilliger gebouwd. En pas nu dringt de dwingelandij tot me door. En woon ik in een huis dat gespaard bleef, gebouwd in de veelgesmade 19de -eeuwse 'timmermansrenaissance' vol donkere hoekjes waar De Stijl zo tegen tekeer ging. Maar Mondriaan blijf ik trouw. Waarom? Hij swingt. Zit altijd net even voor of na de tel.

Tags: 

Marthe Donas en Piet

 Toen ik 14 jaar oud het Parijse Musée d'Art Moderne uitliep en uitzag over de stad was ik gevangen door het kubisme. Dat je de werkelijkheid zo naar je hand kon zetten! Later kwam de twijfel. Zouden Georges Braque of Juan Gris weleens echt naar een gitaar gekeken hebben? Of schilderden ze elke ochtend weer klakkeloos hun zetstukken, en ontbijttafel?

 Ik speelde zelf gitaar en wist zeker dat Braque er nooit van z'n leven eentje in z'n vingers had gehad, anders dan om als zetstuk te verplaatsen. Hij schilderde de levenloze buitenkant van steeds het zelfde, almaar herordenend. Forse contouren, bewegingloze vlakken.

 En nu ontmoette ik de Antwerpse Marthe Donas die in Parijs kubiste werd. Maar zo anders. Donas, nu te zien in Gent werd door de Parijse avant-garde nauwelijks gepikt. Vooral door Piet Mondriaan niet. En ik begrijp precies waarom.

 Op een heel Belgische manier begaf zij zich in de verfijning van interieurs, het behang, vloeren, plinten, de details. Gebruikte anders dan hij levende materialen, stoffen, hout, gips. Je kunt het vrouwelijk noemen. Piet Mondriaan was daar geen liefhebber van, de ijzeren hein.

Bij Marthe werd het kubisme sensueel, van hoekig elegant, vol nuances. Geen stijlkleuren, o nee. Titels als Femme se poudrant, Femme marchant of Femme se coiffant. Vrouwen, lichamen en stillevens, in haar eigen kubisme.

Marthe komt uitvoerig aan bod in een portret in het curieuze liefhebbersblad Eigenbouwer. In een stuk van Peter J. H. Pauwels, haar Parijse doorbraak vooral, 1917-1920, toen ze met Archipenko werkte. 

Ik moet naar Gent, maar ik ben ziek. 

Etalage

 In 1958 werd de wereld een etalage. Met open mond stond ik - de neus tegen het glas gedrukt - te kijken hoe de etaleur van de Bijenkorf over zijn vilten podium rondliep, op sloffen die ook al van vilt waren. Publiek was er, buiten mij volgden enkele winkelende dames hoe hij een fantastische huiskamer inrichtte waar alles te koop was, zijn schijnwerpers richtte en een achtergrond met hoge bergen uitrolde.

 Het uiterlijk van de wereld waarin ik opgroeide sprak tot dan toe vanzelf. De huizen stonden er voor eeuwig, met hun bruine interieurs. Tot op zekere dag, rond 1958 alles begon te veranderen. Het woord was 'modern'. Kleren, lampen, meubels, vloeren, kachels, alles veranderde vliegensvlug.

 Binnenhuisarchitect Premsela was een gezichtsbepaler in de metamorfose van Nederland. De vader van Goed wonen en Pas toe, nu te zien in het Joods Historisch Museum samen met modeman Max Heymans. Waar ik leerde dat hij Nederland voorhield wat 'goede smaak' was. Een mengsel van Bauhaus, De Stijl en gezelligheid.

 Er was eindelijk geld. Overal in de straat werden suites 'doorgebroken'. Wat beteke­nde dat de schuifdeuren eruit gingen en beide benedenkamers tot een geheel gemaakt. Het behang werd wist gesaust of met schrootjes betimmerd.

 Toen mijn ouderlijk huis aan de beurt kwam werd naar mij gekeken - van Premsela wisten mijn ouders niet. Ik tekende immers en was Mondriaangek. Wel was ik pas 15 jaar oud. Maar mijn Mondriaan‑getrouwe ontwerpen haalden het niet. De bruine fauteuil werd niet helderrood overtrokken, maar donkerrood. Geen tafel met schuine pootjes, smeekte ik, maar hij kwam.

 Grijs linoleum, maar wel met een werkje. Mondriaan met een werkje, dat werd het. 

Tags: 

Minimal Myth (2)

 Waarvan raakte ik begin jaren '60 bezeten, in kunst? Het begon op school, met m'n leraar die Mondriaan-gek was.

 Foto's van het interieur van 'Piet' liet zien, die z'n doodgewone woonhuis had gemondrianiseerd. Pas nog stond het interieur in Den Haag. Ik wilde dat ook. Heb mijn ouders bij de komende verbouwing - het doorbreken van de suitedeuren - bijna zover gekregen. In m'n eentje ging ik op zondagen naar het Haags Gemeentemuseum. Uitgestorven toen nog, doodstil. Je hoorde alleen de kraakzolen van die ene suppoost die zich afvroeg wat dat jongetje daar moest op z'n vrije dag.  

 Wat kan weg? Dat is nog steeds een goeie vraag. Minimal Myth laat zien hoe het verder ging. In de Bodon-zaal die Boijmans opende in 1972, speciaal voor wat in Amerika Minimale kunst heette, onze eigen 0-groep (pas nog te zien in Schiedam) en de Duitse Zero-beweging. Kunst die ruimte nodig heeft. Omdat ie in ruimte pas begint te werken. Net als bij Mondriaan rijst steeds de vraag 'hoe kijk ik eigenlijk?' Het is bekend: apen tekenen heel aardig, maar arceren kunnen ze niet. Wij doen iets met lijnen en vlakken dat zij missen.

 Zie Peter Struycken, Sol Lewitt en Donald Judd. Die strenge geometrische abstractie heeft iets verslavends. Hallucinerende orde.

 Er is de laatste jaren een nieuwe generatie minimalen opgestaan. Wat me bij ze hindert is vaak de 'persoonlijke toets'. Dat moet niet, sorry. Juist in de gestrengheid zit het persoonlijke.

 Maandag na 22.00 in de Avonden meer

Alexander Calder (1898-1976)

 Wat ik eerder van z'n werk zag bracht me op dwaalsporen vol niervormige tafeltjes met schuine pootjes.

 Pas nu ik hem in het Haagse Gemeentemuseum op een film uit de jaren ’60 z'n circusvoorstelling uit de jaren ‘20 zag uitvoeren, met de zelfgeknutselde acrobaten, olifanten, paarden en clowns werd me duidelijk wat er misging. In 1930 kwam hij in Parijs bij de toen al beroemde Piet Mondriaan op bezoek, aanschouwde diens interieur en bekeerde zich tot de abstractie.

 'Mag er dan niks bewegen?' vroeg hij nog, maar Piet was streng: 'Mijn schilderkunst is al heel snel.' En zo kwamen die saaie mobielen van Calder in de wereld. Nagevolgd door generaties doe-het-zelvers. Waar ik bij stond probeerde een dame ze in beweging te krijgen door ertegen te blazen. Meteen een suppoost erbij: 'Niet aankomen! Dat zijn kunstobjecten.'

 Goddank wordt de film van Calders circusvoorstelling steeds door ademloos publiek bekeken. Een van paperclips gemaakte acrobaat valt uit de trapeze. Geen nood, Calder laat - mompelend, op z’n fluitje blazend twee draadjes-ziekenbroeders aanrukken met een brancard.   

Tags: