Verdwalen

 Ik reed in het onbekende Utrecht op goed geluk een parkeergarage binnen, en kwam weer bovengronds in een Albert Heijn. Tegenover een stille moskee. Mijn richtinggevoel was zoek. Alle richtingen waren even goed of verkeerd geworden.

 Opeens wist ik weer wat verdwalen is. Niet dwalen, maar stilstaan in een onbekend voetgangersgebied, los van richting, leeg van hoofd, suizend van oude angst. Verdwalen roept een kind wakker, in een uitgestrekt bos waar alle bomen op elkaar lijken en hun toppen spookachtig ruisen. De weg vragen doe ik nooit, dat maakt het erger.

 Ik leerde van de architect Juhani Pallasmaa dat ogen, oren, neus en tastzin verfijningen zijn van huid, gespecialiseerde stukjes huid, zodat we een en al huid zijn.

 Ik was op weg naar de Vorlesebühne, in een paviljoentje dat moest liggen tussen het stuifzand achter het station. Naar Bernh­ard, Sylvia, Marten en de kleine parlando-muziek van Uli Kürner en Riek Westerhof. 

 Achter de moskee kreeg ik het in zicht. Was niet meer verdwaald en verkeerde tussen de stemmen. Wat een stem vermag. Een stem kan zuchten. Dat kan een verzuchting zijn, waar Fransen zeggen 'Ouf je respire'. 

 Ik zuchtte en ging binnen.

Vorlese in Oosterbeek

De positieve aanpak dan maar? Benieuwd wat dat oplevert. Vanavond in het Filmhuis in Oosterbeek doe ik mee aan de Vorlesebuhne van Bernhard Christiansen, met ook oa. A.L..Snijders, Ariadne Verstegen, en Sylvia Hubers, met wie ik dialoogjes mag doen, zoals deze: Kom es hier.

 S. Kom es even hier..

 W. Je weet meteen wat die vrouw van je wil. Ze wil aan je zitten. Daar heeft ze ook alle recht op. Want ze is je moeder. Je bent nu eenmaal van haar. Alle mannen zijn eigendom van een vrouw.

 S. En nou stil blijven staan. Hoe kan ik je anders een beetje toonbaar maken. Je moet toch optreden vanavond.

 W. Wat kan ik zeggen? Dat ik zelf wel uitmaak hoe m'n haar zit? Nee, daar gaat zij over. Trouwens, het is al verknipt. Door de jongenskapper in de Appelstraat in Den Haag. Waar het op woensdagmiddagen stampvol zit. Drie man personeel. Een volledig gemechaniseerd bedrijf. Er liep een rail langs het plafond met snoeren omlaag naar de tondeuses. Een vloer vol haar. Dat elk halfuur werd aangeveegd door het Jongmaatje. Naar het vierkante gat midden in de zaak, waarvan het deksel dan even werd opgetild. Zodat je een glimp opving van een ondergrondse berg jongenshaar. Ik heb er Gerard Reve nog wel eens van verteld. Hij hoorde het graag.

De kapper in de Appelstraat bestaat niet meer. Toch, denk ik, moet daar ergens nog een kruipruimte zijn vol jongenshaar.

 S. Je zou anders best eens naar de kapper mogen jij. Een lekker fris kort koppie in plaats van dat luizige ouwe hippie model. Dat kan toch niet meer. Ik vind alles best hoor, alleen dat haar. Dat kan toch niet. Wat moeten de mensen wel denken? Op jouw leeftijd.

 W. Ik heb een kapperstrauma.

 S. Oh, als het anders niet is, ik heb wel een schaar in m'n tasje. Ga maar even zitten. Moet je wel even stil blijven zitten.

 W. Au! Au!

Pyjamavaders

 Waar zijn de vaders? In haar boek met kort proza ‘Hier moet ik ingrijpen’ schildert Sylvia Hubers er verscheidene. Een uitstervende diersoort? Hier pyjamavaders op een ziekenzaaltje:

 'Vaders liggen mooi in ziekenhuizen, geven zich over, laten zich in pyjama zien aan hun gezin aan de bezoekers aan de bezoekers van andere vaders. Ze laten zich een pil toestoppen. In de ochtend in de middag in de avond laten ze zich leeftocht brengen, lepelen ze ontbijt lunch en diner uit een kom. Vaders die in ziekenhuizen liggen denken over allerlei dingen na.'

 'Dat moet wel, zie je ze iets anders doen? Soms vertellen ze iets over hun eigen kwalen aan elkaar. Er zijn veel kwalen om vaders in het ziekenhuis te krijgen. Elke vader die met maar een kwaal in het ziekenhuis ligt moet op zijn blote knieën God, het lot of wat dan ook danken dat hij al die andere mogelijke kwalen niet heeft. Als de gezondgeopereerde vaders - een beetje slaperig nog - begeleid door gezinsleden het ziekenhuis verlaten nemen ze kameraadschappelijk afscheid van de vaders die nog moeten blijven liggen. Nieuwe vaders met kwalen treden aan en het lijkt of er altijd genoeg vaders met kwalen zijn om de bedden te vullen en dat het daardoor eigenlijk heel gewoon is dat er vaders met kwalen bestaan.’

 ps. De mijne had een kamer voor zich alleen waar hij bleef roken tot het alarm afging. Steeds weer. Voortijdig nam hij - in pyjama - een taxi naar huis. Een keer maar nam hij deel aan een praattherapie. ‘Doet u thuis ook zo?' vroegen de andere vaders.

Tags: 

Sylvia Hubers

 Dichters weten wat kort is. De ene helft van de lezers turnt pages, de andere helft staart naar zinnetjes en woorden. Ik hoor tot de laatste. Begin achterin te lezen.

 Het zeer korte proza in de Nederlandse letteren was er lang voor het schermpje en voor A.L.Snijders het Japanse handpalmproza toepaste. Sylvia Hubers schrijft behalve gedichten al jaren kort, vreemd proza. Kort wordt bij haar vanzelf vreemd. Wanneer je wat zinnen opruimt botst wat overblijft soms op elkaar en brengt onverwachte kortsluitingen als in een flipperkast.

 Dit is uit De nieuwe stukjesbundel Hier moet ik ingrijpen. Een van de teksten over de stervende vader. 'Ondertussen mijn vader':

 'Ondertussen mijn werk doen. Vader sterft tussen de regels door. Langzaam, elke dag een beetje meer weg. Ondertussen doe ik mijn werk. Tussen de regels door sijpelt mijn vader. Ik kan geen werk meer doen zonder mijn vader. Men vraagt mij een werk te doen en ik denk: dan krijg je mijn vader erbij cadeau. Ik krijg mijn vader niet meer cadeau. En groot deel van mijn vader is al weg. Het mooiste deel is nog gebleven. Waarom is dat het mooiste deel? Omdat het er nog is, denk ik, terwijl ik mijn werk doe. En terwijl ik mijn werk doe, verdwijnt mijn vader, langzaam. Elke dag is er een mooiste deel dat blijft.'

Tags: 

Moeder doen

 Rond dat boek van Frank Starik werd gister in de molen in Utrecht een sessie van de Vorlesebühne belegd door Bernhard Christiansen.

 De zon ging schitterend onder en de moederverhalen kwamen. Ik zocht tevoren de Nederlandse literatuur nog af en vond weinig. De moeder van Gerard Reve zit op haar keukenstoel, in hoger sferen, 'eindelijk eens goed gekleed.' Maar de afstand blijft in zijn generatie groot. Vooral tussen zonen en moeders. Remco Campert: 'Dag moeder.'

 Starik las gisteren onder meer: 'Ik vind het maar moeilijk dat mijn moeder een lichaam heeft, het boezemt me afschuw in. Ik zal haar morgen in een rolstoel door het ziekenhuis moeten duwen. Moet ik haar ook uit bed sjorren? Dat verfrommelde restje mens? De vorige keer droeg ze een soort ziekenhuisschort, dat half van een schouder was afgegleden. Wit vlees, blauw dooraderd. Ik durf dat niet aan te raken.

 "We hebben haar op de pot gezet," meldt Laura, die immers ervaren is met de zaken des vleses, de uitgang des levens, Laura, die dat helemaal niet gek vindt.'

 Starik beschrijft machteloosheid, de pijnlijke grenzen van nabijheid. Ooit zette je moeder je op de pot, nu is het godweet jouw beurt. 

Moeder doen?

 Volgende week zaterdag is de Vorlesebühne weer in Utrecht in de Molen. Motto: Moeder doen. Frank Starik is er, Sylvia Hubers en natuurlijk Berhard Christiansen. En ik, met onder meer dit:

'Mijn moeder zag ik laatst op een dijkje. Ze kwam heel voor­zichtig eens kijken, begreep ik. Ik moest haar niet aan het schrikken maken. Ze zal nog wel weer terugkomen. Moeder doen? Mijn moeder deed mij. Ze stierf in 1995. En nog doet ze me.

 De laatste keer verscheen ze in een licht geparfumeerde droom. Op een dijkje. Het mistte, maar de zon kwam er al doorheen, zodat ze oplichtte. Ze droeg wel haar gabardine jas maar met een vermiljoenen zijden sjaal die ik niet kende. Ik zette twee stappen en kwam vlak bij haar. Ze was zoals ik haar nooit gekend had. Mooi, als op vooroorlogse foto's. Ik wist het, eens was ze een mooi meisje. Ik kuste haar. Voelbaar, als een geliefde.

 'Niet doen,' zei ze. 'Doe maar liever niet.'  Maar op een toon die veel open liet. Ik aarzelde.

 'Ik moet weer gaan,' zei ze. En verdween. In de halfslaap daarna wist ik het weer 'ik had met haar moeten trouwen'. Dit is nu bijna twintig jaar geleden. En nog denk ik ‑ kijkend naar foto's van ons twee: 'Vrouwen baren een zoon om later mee te trouwen. Waarom anders.' 

 De mythe van Oedipus spreekt de waarheid. Mijn vader haatte me, heeft nog geprobeerd om me om zeep te brengen. Maar vergeefs.

 

Mij is te verstaan gegeven

 Is de titel van een gedicht van Sylvia Hubers dat staat in haar bundel Niet over het Spaarne! Oogst van vier jaar hoogst ernstig opgevat stadsdichterschap.

 'Mij is te verstaan gegeven dat er van me wordt gehouden. Ik kreeg daarvan steken in mijn zij, steken in mijn hoofd, steken in mijn benen. Toen het ophield te steken, kreeg ik vlagen. De ene vlaag na de andere, hier een vlaag, daar een vlaag. Te veel vlagen. Ik ben vlagen gewend maar van deze vlagen kreeg ik jeuk. Jeuk overal, jeuk niet te stelpen met simpele nagels. Mijn simpele wezen vreesde dat mij nog maar één ding stond te doen: aanbellen van ping pong, ha hallo, van o ja, van hier daar, nog een keer, nee! ja! ja! Enzo, waardoor ik dus weer eens een keer ping pong, gedachteloos, meedeed, ja weerloos meedeed, met wat er aan de gang was.'

 Woensdag is Sylvia te horen in de Avonden. Zaterdagavond staat ze in de Lange Nacht van Kort Vreemd Proza in Utrecht.

Tags: 

Sylvia Hubers

 Morgen tref ik Sylvia Hubers, in Haarlem, in een café aan het Spaarne. Tot 1 januari jl. was ze stadsdichter van Haarlem en nu is er een bundel die heet Niet over het Spaarne! 

Vanwaar dat uitroepteken? En waarom dat niet? Stroomt het Spaarne? En zo ja, welke kant op? Ja, er wordt gedronken in deze bundel vol wel en niet. En als daar het wel en niet van stadsdichten bijkomt rijzen er vragen. Lees:

 

 Ik had niet hoeven houden van

en niet van te zijn

van niemand

 

Ik had zo eenzaam kunnen zijn

als een slang of als alles

wat eieren legt.

 

Maar ik voeg me

plak, beitel, schroef, moer, hamer me

in en om de andere menselijke wezens

in alles ben ik niet alleen

met hen

 

woensdag 19 juni is Sylvia Hubers te horen in de Avonden.

Tags: 

De Vorlesebühne

 Is een gezelschapje schrijvers en per­formers rond Bernhard Christiansen en Sylvia Hubers. Zij, en wisselende gasten maken erg amusante voorstellingen uit dialogen, hoorspelletjes, korte teksten en passende muziek. Zaterdag was ik gast, en hoorde Sylvia oa. deze tekst doen: 'Het is geen doen zo'.

 'Het is geen doen zo! met al die ‑ wat ik wou zeggen, dat het geen doen is, geen sier geeft, het is niets! Als het anders kan dan moeten ze dat meteen doen. En het kan anders! Ik heb opgelet. En gekeken. Wie goed kijkt weet hoe het moet. Dat zouden ze moeten doen, het doen zoals het moet. Of wat ‑ het is zo geworden en toen was het zo. En iedereen zag dat het niks was geworden. Wat doe je, je kijkt op, je ziet en je weet dat het niet goed is.

 En dan laat je het zo want als het zo is en het is niet goed en het is vanzelf zo gekomen, dat dat anders is dan wanneer je het ziet en er wat aan doet, zodat het verandert en als het dan nog steeds niet goed is, heb je het nog zelf gedaan ook.'

 Die avond in Utrecht had zo op de radio gekund.