De onmogelijke Kloos

 Rondwaren door leven en werk van Willem Kloos, zoals beschreven in 'O God, waarom schijnt de zon nog!' van Peter Janzen en Frans Oerlemans. En weergegeven in de herdruk van zijn verzen (1894).

 Kloos, soms beschreven als borderliner. Alcoholist was hij in elk geval, anders dan de kerngezonde sportman Herman Gorter. Was hij de grootste? Hij vond zelf in elk geval van wel. Altijd naar het uiterste. En daarbij niets schuwend wat hem beroerde. En een vechter als het ging om 'zijn' blad De Nieuwe Gids.

En in vriendscha­ppen. Een onmogelijk mens die men steeds weer vergaf. Zelfs Frederik van Eeden. Ook Van Deyssel bleef hem trouw. Vriend Willem Witsen schreef 'wantrouwen is een algemene ziekte in gevallen als dat van Kloos'. En dan, aan de vrouw van zijn uitgever: 'Hij wordt beklaagd en verzorgd, hij wordt zichzelf weer, zijn oude trots komt terug enz. terwijl het gebeurde een harde les voor hem had behooren te zijn. U plukt de bittere vruchten van teveel toegevendheid, mevrouw.'

 Altijd waren er weer mannen en vrouwen die voor Willem gingen zorgen, hem geld leenden. Pannetjes eten brachten, jawel. Jeanne Reyneke van Stuwe verzorgde hem tot het eind. Hij werd zeer oud. Ik lees het begin van Vers nummer LV:

 'Ik ga mijn leven in orgieën door

Van vol muziek en vreugden onuitspreeklijk,

Daar 'k ál smart in losbándigheid verloor,

Want dit lijf en mijn trots zijn onverbreeklijk;'  

Willem Kloos' portret

 'O God, waarom schijnt de zon nog!' heet het monumentale portret van de dichter Willem Kloos (1859-1938), gemaakt door Peter Janzen en Frans Oerlemans. Een titel waarin niets overdreven is. Het is alles of niets bij de Tachtigers en het meest bij Willem Kloos.

 Zo leven met kunst - ook schilders als Willem Witsen, Breitner en Isaac Israels hoorden bij de vriendenkring - is in deze tijd ondenkbaar geworden. Toch verdient de kunst het. Waarom zou je anders dichten of schilderen?

 Alleen, niemand kan of durft het meer. Een God in 't diepst van je gedachten?  Kloos ging tot het uiterste, met het onder woorden brengen van wat nu zo in de mode is: gevoelens. En met drank net zo. Bij hem eindigde het - na jaren alcoholisme - in inrichtingen, met elektroshocks.   

 Het boek portretteert niet alleen hem, ook een generatie kunstenaars. In hun tijdschrift De Nieuwe Gids verscheen deze in het krankzinnigengesticht in Utrecht geschreven impressie: 'De gekken zitten in hun kerkgebouw' (1895), met als tweede regel 'Als stomme mummien met steenen oogen'

 Waarin de gekken worden toegesproken door een dominee en dan weer terug moeten naar hun bedden:

 'Dan keerend zaal-waarts naar mijn vreemde voer,/ Denk ik gedwee: 'k ben een verloren worm maar,/ En ga dan stil wat schrijven of wat lezen/ Maar met begint het hortende rumoer,/ Lawaaiend langs de wanden of 't een storm waar.../ Menschen, aanschouwt: ik word als een van dezen.' 

Tags: 

Willem Kloos weent

 Willem Kloos van wie minstens drie regels voortleven: 'de zee in eindeloze deining', 'bloemen in den knop gebroken' en natuurlijk 'Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten'. Alsook de opmerking dat hij wel van de natuur hield, 'maar je moest er wel wat bij te drinken hebben'.

 Vantilt brengt eind deze maand het boek 'O God, waarom schijnt de zon nog' uit over de koning der tachtigers Willem Kloos en een herdruk van zijn Verzen (1894). Kloos die aan de drank ten onder ging en nog voortvegeteerde tot 1938, verzorgd door Jeanne Reyneke van Stuwe. En ik herlees zijn Verzen. Wat nu treft is zijn wenen. Een verloren manier van uitdrukken. Mij ontsnapt op onvoorspelbare momenten weleens een traan die ik snel wegpoets, soms ook 'schiet ik vol' of 'zit er tegenaan' maar daar blijft het bij. Voor een vorm moet ik bij dichters als Kloos zijn. Met een gemoed dat soms overloopt. En zie, hij weent:

 Ik ween om bloemen in den knop gebroken/ En voor den uchtend van haar bloei vergaan,/ Ik ween om liefde, die niet is ontloken,/ En om mijn harte dat niet werd verstaan,

 Gij kwaamt, en 'k wist ‑ gij zijt weer heengegaan.../ Ik heb het nauw gezien, geen woord gesproken:/ Ik zat weer roerloos na dien korten waan/ In de eeuwge schaduw van mijn smart gedoken:

 Zoo als een vogel in den stillen nacht/ Op eens ontwaakt, omdat de hemel gloeit,/ En denkt, 't is dag, en heft het kopje en fluit,

 Maar eer 't zijn vaakrige oogjes gansch ontsluit,/ Is het weer donker, en slechts droevig vloeit/ Door 't sluimerend geblaarte een zwakke klacht.

Tags: 

Jacques Perk

 Het is gebeurd aan het Amsterdamse Haarlemmerplein, waar Jacques Perk (1859-1881) in het souterrain van het ouder­lijk huis woonde tot hij er 21 jaar oud stierf aan tbc. Hij liet de 'son­nettenkrans' Mathilde na. Honderden sonnetten aan een on­bereikbare gelie­fde.

 Perk is een van de reisdoelen in Nico Keunings opmerkelijke bundel litera­ire ontmoetingen 'Een vreemde bestemming'. Hij vindt Perk aan de Ourthe, in de Ardennen, waar Perk met z'n vriend Willem Kloos was.

 Op een gedenksteen in Laroche, staat zijn ode aan de Ourthe gebeiteld: 'die mij schaterend van pleizier opvangt in haar molligen schoot en mij de betraande lokken met natte kussen overdekt'.

 Een snelstromende bergstroom als minnares. De dandy, de voorloper van de Tachtigers, meende het. Uit een brief: 'Dagelijks doe ik 2 of 3 tochten, in het lichtgrijs gekleed, mijn roode kamermuts op, blauwe das en gele tabakszak bungelende tegen mijn buik.'

 Op de veranda van een café geniet hij van de 'gonzende eenzaam­heid', terwijl de 'blauwe wolkjes' van zijn sigaar 'weg­dartelen in den zonneschijn'.

 In september 1881 wordt hij weer ziek. Tegen zijn vader, de dominee, zegt de agnosticus Perk: 'Ik ga met volle bewustheid de eeuwigheid in; morgen zijn haar mysteriën, waarvoor gij nu nog staat, mij onthuld.' 

Gorters Mei-dagen (2)

 Nog rondwaren in Enno Endts Gorter-documenten op dbnl. Verzamelde brieven en zo meer van de kring rond Gorter uit het jaar 1888 toen zijn Mei verscheen.

 Vriend Fons Diepenbrock komt veel voor. Alsook de Utrechtsestraat. In 1921 herinnerde Jac. van Looy zich dit: 'Eens kwam ik hem [Diepenbrock] tegen, jonkheerlijk als hij was, in de Utrechtsche straat en hij liep wat met mij op of ik met hem. En plot­seling, met die stem eens dichters die de woorden zoo lief heeft, zei hij: 'Een nieuwe lente en een nieuw geluid, hoe vindt je dat?' Wij wandelden en gingen om met 'Mei', het toen nog onbekend gedicht van zijn vriend en studie‑genoot, Herman Gorter en als gevolg er van kwam Gorter in mijn werkplaats het mij voorlezen, drie avonden lang. Wat mij daarvan niet het minste is bijgebleven, is, dat de dichter der Mei zijn heldere verzen bijna voorlas of het proza was.’

 En dan deze brief van Gorter aan Diepenbrock, 22 november 1888: ‘Gisteren avond heb ik aan van Looy het eerste stuk voorgelezen. Hij vond het heel mooi. Ik wilde eigenlijk het niet doen ook omdat jij het nog niet geheel gehoord had. Ik had wezenlijk een gevoel alsof het tegen pieteit tegenover jou was, maar hij sprak er zoo aardig over, dat ik het maar gedaan heb. ‑ Wat zou er toch van het heele ding zijn terechtgekomen als jij me niet aangemoedigd hadt. Dat dacht ik onder het voorlezen nog. ‑ Nu, ik hoop tot Zaterdag, Pans.'

 In de anderhalf - twee jaar waarin Gorter aan de Mei schreef, was Diepenbrock de enige van zijn vrienden, die hij in zijn werk betrokken had.

 Tenslotte Gorter aan Willem Kloos, op 22 november 1888: 'Amice! Het gedicht waaraan ik zoo lang bezig geweest ben is af. Nu zou ik het je graag eens laten lezen. Hoe kan dat het best gebeuren, kom je misschien weer eens over, binnen niet al te langen tijd? Het is lang en een groote moeite om over te schrijven, daarom zou ik het je wel liever vóórlezen. Antwoord mij hierop s.v.p. Kan het niet anders dan [zal] ik je wel een copie sturen. t.t. Herman Gorter.

 Ps. Tussenbeide lees ik dat H.Gorter op 3 februari 1889 aangewezen wordt als vice‑voorzitter van de Nederlandsche Cricket Bond. Dit tav. Arjen Duinker. En, Hein Aalders meldt dat Gorters brieven in het najaar bij Van Oorschot uitkomen.

Gorters Mei-dagen (1)

 Nu vandaag heel Gorters Mei in een Utrechtse boerderij wordt voorgelezen zocht ik in de Gorter-documenten verzameld door Enno Endt naar de jaren 1888 en 1889.

 Kladjes, brieven. Zoals deze: de 24-jarige Herman Gorter aan Alphons Diepenbrock. Amsterdam, 15 november 1888 ‑ Briefkaart. 'Het ding is af. Pans.' Zo heette hij onder vrienden. Van de 4400 regels van de Mei luiden de laatste vijf:

Ik groef een graf waar golven komen toe ‑

Dekken het zand en legde haar daar neer,

Daarover zand: de golven komen weer

En dalen weer met lachen of geschrei ‑

Daar ligt bedolven mijne kleine Mei.

 Daaronder in handschrift de datum van het postmerk van deze briefkaart van Pans. Verder lees ik: Herman Gorter aan Willem Kloos, 4 december 1888: 'Morgen of overmorgen zend ik je 1500 regels (gecopieerd). Schrijf of krab er niets bij s.v.p., de copie heeft een byzonder doel. Daarom wou ik haar ook graag terstond terug hebben. Wat het ding zelf betreft: ik heb iets willen maken van niets dan schittering en zonschijn. Het bestaat uit 3 deelen of boeken (in 't geheel 4400). Het eerste is jeugd en, hoop ik, kinderlijk. Het tweede is veel zwaarder en moeilijker; mannelijker heb ik het willen maken. Het derde is rustiger, doodscher dan de twee andere. Maar de hoofdzaak was: het licht en het vlammen er van. Het vlamde in mijn gedachten. Enfin, het moet voor zich zelf spreken. Ik hoop dat je het met plezier zult lezen, dat je er niets bij schrijft en het mij zeer spoedig terug zendt: dan zal de rest ook wel klaar wezen. t.t. Herman Gorter. Natuurlijk hoop ik wel je oordeel te hooren maar niet in of naast de tekst, dat bedoel ik.'

 Verderop vond ik Gorter terug als voetballer in een kroniek ter gelegenheid van het 50‑jarig bestaan van de Haagsche Voetbal Vereeniging (HVV): 'In het seizoen 1888‑1889, waar wij thans over spreken, maakten nog twee andere clubs hunne eerste verschijning op het Malieveld: het waren de VVA, welker spelers geheel in het wit gekleed waren en die daarom de bakkers werden genoemd, en het toen pas opgerichte RAP. Met VVA werd gelijk gespeeld (0‑0), van RAP werd met 1‑0 gewonnen. De verhouding met RAP was aanstonds zeer vriendschappelijk, daar alle spelers van die club bekende cricketers waren, die reeds menigmaal het Malieveld hadden betreden. Onder hen bevonden zich o.a.J.C.Schroder, H.Gorter, Blijdenstein, de Bordes en anderen. In Amsterdam werd dat zelfde seizoen tegen RAP gelijk gespeeld met 1‑1, [...].

Willem Kloos
Albert Verwey

Kloos en Verwey (1)

Vrijdag ga ik langs bij Rob van de Schoor in Nijmegen, medesamensteller van het brievenboek van de beide aanvoerders van de Tachtigers, Willem Kloos en Albert Verwey. Titel: 'Van de liefde die vriendschap heet.' Kloos is net 23 jaar oud, Verwey zes jaar jonger. Je leest ze en denkt, mijn god wat is de wereld sindsdien verpeuterd. Hier Kloos, in 1882 over de liefde.

'Maar eigenlijk is 't een beroerde boel, en daarom liggen we altijd, half onbewust, op den loer onder de menschen, om een lief gezicht te vangen en er door gevangen te worden. Dat is ten minste iets tastbaars, buiten ons. Ook ik doe zoo, heb altijd zoo gedaan, en schijn er nog niet mee uit te kunnen scheiden. (...)Toen ik achttien jaar was, leed ik onder mijn eersten hartstocht, - wat vóór dien tijd viel, was slechts 'the light fire in the veins of a boy' -Eenzaam was ik, en toen de dood kwam, kon hij mij niet eenzamer maken. Daar heb ik veel verdriet van gehad. Wat onkruid op een graf geplukt, is het eenige, wat er van mij overblijft. Daarna kwam de groote passie van mijn leven. Zes maanden was ik gelukkig en toen ik weer weggestooten werd, dacht ik, dat ik breken ging. Maar ik ben er toch van opgekomen, wat harderen wat nuchterder. Nooit meer, meende ik, doch toen Dora mij aankeek en bleek werd, en - de verkeerde wereld - mij het hof begon te maken, ben ik gaan probeeren, of kussen de zelfde uitwerking hadden als sterke drank.(...)

Tags: