Ontmoediging

 Er zijn mensen die zich bij alle gelegenheden boven anderen stellen. Mijn vader was er zoéén. Kwam er een timmerman over huis dan sprak hij over hem als 'de beste brave man'. En toen ik voor het eerst voor een blad een verhaaltje had gemaakt was zijn reactie 'denk nu niet meteen dat het wat is'.

 In het leven van Willem Brakman - lees de biografie van Nico Keuning 'Een ongeneeslijk heimwee' - speelde zijn 'vechtvriendschap' met Nol Gregoor zo'n rol. Gregoor was zijn oudere 'leermeester' en deed zich voor als een belangwekkend letterkundige, Willem moest meer dan veertig boeken schrijven om hem de baas te worden.

 Willem moest en zou vertellen. Waar hij kwam ontspon zich een verhaal. Toen we eens in en gehuurd bootje over de Scheveningse Waterpartij voeren overwon Willem zijn angst voor water met een hersenspinsel over wat zich allemaal onder het oppervlak bewoog en het voorzien had op zijn geslachtsdelen. Hij aarzelde lang voor hij in het bootje durfde stappen. Tenslotte liet hij zich er zo'n beetje in vallen. En begon meteen te vertellen.

 Later, aan zee, bij Duindorp, kwam het verhaal van de aangespoelde toeristenlijken, die er - met strandzand overdekt - uitzagen als ongebakken kroketten.

Tags: 

Bethel

 De Haagse Bethelkerk in de wijk Bohemen wordt niet afgebroken hoorde ik van vriend en buurtgenoot Wim de Bie. Wim was geen kerkganger, ik moest. En zo zag ik de veelbelovende organist René Rakier optreden voor een kerk vol Loosduinse tuindersknechts - hun brommers stonden voor - en volgde de jeugdiensten, gehallucineerd door de weerschijn van het glas-in-lood op het parket.

 De kerk stamt uit 1938 en werd gebouwd door Chiel Kuyper, lees ik nu, Nieuwe Haagse School. En het buurtje heette de componistenbuurt. Met een Mozartlaan, een Richard Wagnerlaan, maar ook een Tannhäuserstraat en de Parsifalstraat waar Wim opgroeide. Laan van Meerdervoort, eindpunt van lijn 2, Meer en Bos. Vlak erachter begonnen de tuinderijen van het Westland.

 En dat te midden van de bloemenbuurt. Nog weet ik niet hoe Speenkruid er uit ziet, ik zie het straatje voor me waar onze tante Addy woonde, met oom Koen van de Vrije School. Maar dat was aan de overkant van de Laan van Meerdervoort, de 'langste laan van Europa', in het zicht van de Dalton HBS, waar Kees en Wim op zaten, achter de T-vijver.

 Laatst liep ik er na jaren weer eens rond. Alles was er nog, maar vreemd genoeg, welke straathoek ik ook omsloeg, geen enkel bekend gezicht.

 Was de neutronenbom hier gevallen?

Doppelte Fleischportion

 De heer Hans-Michel Becker, leraar Duits te Keulen kende mijn vader van conferenties. Hij was het joviale type. Mij - de tweede klas gymnasiast beg­roette hij altijd met - oud-Grieks op z'n Duits uitgesproken: 'So Wim, wie steht's mit paidoio'. De verbuiging van het Griekse werkwoord. Keulenaars hebben gevoel voor humor, dat is bekend.

 We gingen ook met de Beckers gezamenlijk met vakantie naar de Côte 'd Azur, waar ze een vaste camping hadden. Er werd soms uit eten gegaan in St. Raphael waarbij de heer Becker altijd een 'doppelte Fleischportion' voor zichzelf bestelde, naar hij zei 'om goed te maken wat hij in de oorlog aan vlees tekort was gekomen'.

 Zijn zoontje Herribert kon die Franse vakanties wel dromen. Vooral het laatste stukje naar de camping waar Hans-Michel ons de bomenrij uitlegde. Eens was Herribert z'n vader voor en zei gapend 'Ja, das sind drei Pinien und eine Eiche'.

 Hans-Michel reed zo lang met de banden van zijn Taunus tot het canvas er doorheen kwam. Een zuinig man. En vertelde avond aan avond over zijn diensttijd in Peenemünde, waar de V2's getest werden. Aan de vakanties met de familie Becker kwam vlug een einde.

Epifanie

 Want dat was het. Een onthulling. Rondrijdend in Zuid-Toscane, waar het stil is, buiten het toeristieke gebied, overkwam hij me.

 Een dorpsplein op een bergrug, met tussen twee huizen zicht in de verte. Waar de Monte Amiata, hoogste berg van Toscane haarscherp opdook! Terwijl hij toch vele kilometers verderop lag. Daar werd me het geheim van de vroege Italiaanse schilderijen (Mante­gna, Bellini!) onthuld. Het perspectief leek te ontbreken! Alle gebouwen, en de Monte Amiata, stonden naast elkaar

 Terwijl ik toch altijd gedacht had 'dat is primitieve kunst, ze weten nog niet dat je afstand moet suggereren met kleurnuan­ces in blauw, groen en rood, met vervaging van de voorstel­ling.' Maar dit was een klaarheldere dag. En het leek of ik de Monte Amiata met mijn hand zo kon vastpakken.

 Ik vergat de goede foto te maken, het bewijs van mijn openbaring.

 Vanaf dat moment ben ik middeleeuwse kunst anders gaan zien. En heb alle perspectivische suggestie met korrels zout genomen. Eerlijk kijken. Jezelf niet voor de gek houden. Zien wat je ziet.

Losse eindjes

 Slapen lukt heel aardig. De kunst blijkt te zijn een onderwerp te vinden dat - vaak al jaren - op een vergeten plaats lag te wachten op hoe nu verder.Dit fragment van een vertelling bijvoorbeeld:

'En Jan Pieterolie en Aal van der Vliet

Die riepen 'toe jongens verdrink nou maar niet'.

 Er doemt een gekleurd plaatje op van een man in een soort Volendammer broek en een vrouw in klederdracht. Ze wuiven. Naar een paar jongens in een bootje. Die in een razende storm pogen niet onder te gaan. Een ervan draagt een wapperende sjaal.

 Maar nu. Pieterolie was ooit een grapnaam voor petroleum. Zou dit uit een reclame voor petroleum zijn? Ik herinner me 'De olieman van de Automaat' die langs de huizen kwam en bij wie huisvrouwen inkochten voor hun petroleumlampen.

 'Oil for the lamps of China' - en een film in 1933 - was de slagzin waarmee een Amerikaanse oliekoning China veroverde. Zijn actie begon met het cadeaugeven van petroleumlampen aan consumenten. Die dan in het vervolg wel bij zijn firma (ESSO) brandstof moesten inslaan, waarvan Jan Pieterolie een employe was. Het boekje kan ik niet meer vinden. Wie?

 De aanmaning 'verdrink nou maar niet' blijkft onovertroffen. 

Onderwijs

 Waar is onderwijs goed voor? Niet zozeer om iets te leren, al zal een leerling vaak tegen wil en dank wat oppikken. Niet dat wat de bedoeling van de leraar was.

 Wat ik in die klaslokalen deed was het bestuderen van het gedrag van vol­wassen mannen en vrouwen. Uren lang. Hoe Jan van Gelder met het uiteinde van elke Lexington sigaret op zijn tafelblad tikte voor hij hem opstak. Hoe Ph. Borleffs, als tijdens het laatste uur zijn vrouw in hun rode 2CV het schoolplein kwam opgereden om hem af te halen altijd zei 'ah, daar is m'n eend'.

 Wie waren deze mensen? Laatst ben ik nog de Bentinckstraat in gereden en heb het adres van geschiedenisleraar G.J.de Voogd opgezocht. Hij moest al jaren gestorven zijn maar zijn geëmailleerde naamplaatje zat nog - schuin - aan de deurpost. Met verroeste schroefjes. 

 De Voogd werd een grap door zijn hypercorrecte uitspraak van de namen van Lenin en Stalin. Hij zei 'Ljennien', waarna de klas aankwam met 'Stjaaljien'. En eens rukte hij een brutaal vlechtenmeisje uit haar bank, rood aanlopend, met de kreet 'misselijk kind'. In vakkringen stond hij bekend als een van de auteurs van het leerboek 'Novem, wereld in wording'.

 De vader van Ischa, ook leraar, schreef een concurrerend leerboek dat hij in eigen beheer liet drukken en onverkocht in stapels op zolder lag. En Ischa treiterde Jaap Meijer met steeds het getal 'negen' in de tafelconversatie te vervlechten. 

 De Voogd heeft Willem Brakman nog avondles gegeven. Die hem vereerde.

Koepel

 Je hebt plaatsen waar alles - door de geschiedenis verzameld - tezamenkomt. Er was buiten het dorpje Vicoforte, in de Piemontese bergen achter Turijn een heilig­dom bij een bron, dat zich in de eeuwen steeds uitbreidde. Tot en met de vier 19de-eeuwse klokkentorens om de koepel heen.

 De strijdlustige Carlo Emanuele I (1562-1639), vorst van het half Franse, half Italiaanse Savoye waaruit Italie groeide maakte er een enorme graftombe van, voor zichzelf. Omgeven door beeldschone nimfen ligt hij daar, onder lang nie gekke plafondschilderingen. Altijd even kijken en dan een taartje eten in de kring van uitspanningen rondom. Er is eeuwen aan gebouwd.

 De weg erheen eindigt - niet toevallig - in een tunnel met uitzicht op de ovale (!) reuzenko­epel van de Piemontese architect Gallo. Pieonte is baksteenland. De Giro van 1995 had hier zijn finish, in de stromende regen. Ik was er toen niet. Maar wie Italiaanse plannen heeft, kies het altijd vergeten Piemonte, logeer in Mondovi, bekijk het bergklooster van San Michele en steek door naar Oropa, op 1000 meter, waar vroeger de pelgrims in groepen, per parochie met de tram omhoog werden gevoerd. Piemonte was katholieker dan de paus!

Snoepjes

 Italië herstelt zich. Ik denk aan de olijfpluk in Calabrië. Wat ging met machines die de stam van een olijfboom omklemden en dan schudden, tot een regen van rijpe olijven naar beneden kwam, waar plastic zeilen lagen uitgespreid om ze op te vangen.

 Ging mijn vriendin het dorp in om vlees te kopen, dan leerde zij dat er kalfsvlees was als de slager de kop van het geslachte kalf buiten aan een spijker op de deur had gehangen, bij wijze van uithangbord.

 Nu weet ik ook waar die zak zo sterk riekende Calabrische citro­enen van­daan kwam, die ik in mijn R4 had meegebracht. Het was wis­selgeld.

 Dat kwam zo, in 1972 was het wisselgeld in Italië op, geen briefjes van 500 en 1000 lire meer en zeker geen munten van 100 of 200 lire. Wat nu?

 De oplossing was vaak snoepjes. Je kreeg toffees of verpakte caramels terug als je met papiergeld betaalde. Briefjes van 1000 lire waren het schaarse betaalmiddel ook voor de benzineautomaten, waarvoor ze helaas meestal te verkreukeld waren.

 Toen er een processie onder m'n raam voorbij kwam zag ik waar dat van kwam. De priester die het heiligenbeeld begeleidde hield een stok met een spijker omhoog, waar vrome huisvrouwen vanaf hun balkons briefjes van 500 of 1000 op prikten.

Torens

 In deze tijd kom ik moeilijk in slaap. Pogingen tot het vinden van een heenkomen doe ik vele, Maar mijn interne kijkdoos draait in kringen rond. Zo brengt de tijdelijke sluiting van Boijmans me - klaarwakker - bij Breugels toren van Babel, die nooit de hemel zal bereiken. 

 Een van de eerste fantasieen in architectuur, was denkelijk het zeer grote, te beginnen bij de beetje kinderlijke piramides.

 Wat is er met het zeer grote gebouw? Het bouwen van torens is tot mislukken gedoemd, wie naar de hemel reikt brandt zich, gelijk Icarus. En de Twintowers.

 Mijn mooiste mislukte toren is die van Beauvais. Al 500 jaar in de steigers. Een griezelige stad die in 14-18 ook nog eens vernield werd, en sindsdien vol staat met mislukte pogingen tot bewoonbaarheid. Maar voor de geesten wijken is er zo weer 100 jaar voorbij.

Een middeleeuwse kathedraal tussen wat nieuwbouw uit de jaren '20 verliest zijn context, zijn betekenis. De flatjes aan zijn voet trekken hem naar betekenisloosheid. Hij wordt een invalide ding. Van binnen vol stutten als krukken.

 De bedoeling was ooit dat hij hoger zou reiken dan naburige kathedralen. Hoogmoed die werd gestraft.

 Maar zo kom ik niet in slaap. 

Het moment.

 Wat ik zocht wist ik heel goed. Omschrijf het als een beleve­nis die me mezelf deed vergeten. Zoals bij het, na 40 jaar weer ruiken van de vreemde verf­lucht die in het schuu­rtje van mijn grootvader hing. Eén en al herken­ning werd ik, zeg gerust volle­digma­king. Het even hele­maal ver­dwijnen in een stuk muziek.

  Binnenshuis vond ik het niet. Ik ken de schuldi­gen: het boek, de gram­mo­foon, de film, die me geleerd hebben dat alles over kan. Echt lezen, kijken en luiste­ren hoeft niet meer, zeggen de boeken, platen en films om me heen, wij lopen niet weg, het kan later altijd nog.

 Maar later bete­kent nooit. Ja, ook lezen is eigenlijk heel ver­keerd, zei Scho­penhau­er al. Mensen zouden zelf moeten denken, ervaren.

 Maar, vrees ik, de uitvinding van de beeld- en geluids­dragers heeft veel momenten voor altijd uitgesteld. De wetenschap dat iets wordt vastgelegd voor later verandert het kijken en luisteren in het nu. Echt oplet­ten hoeft niet meer, er komt immers altijd een herkan­sing. Is dat zo?

 Vergeet het, ieder later kent weer en nieuw later. Later betekent nooit.

 Moment komt van movimentum, omslagpunt, beslissend ogenblik. Waar is het? Ik moet er achteraan, zonder videorecorder. Het beste zou zijn een bootreis van 6 weken om mijn tante in Nieuw Zeeland nogeens te zien. En dan zou ze net overle­den moeten zijn.

 En nu weet ik het: Martien van Halst raasde op een kleine helse machine rond de Eerbeekse vijver, met oorverdovend geknetter. Martien vloog rond de vijver. En het dorp liep uit.

 Het ding had een naam, 'een plof'. Zo heette daar de eerste bromfiets: het Berini-eitje. Ik bleef het volgen op z'n rondjes, beseffend 'dit is het dus, en ik zie en hoor het.’