Knal

 De hevigste knal, de hoogste vlam. Daar gaat het om met oudjaar in Den Haag, vuurwerkstad. De Japanse kanonslag bestaat nog, maar zevenklappers en gillende keukenmeiden nauwelijks meer.

 De mooiste knal waar ik bij was voltrok zich aan het eind van de Laan van Meerdervoort, bij het eindpunt van lijn 2. Daar stond zo'n zg. 'alarmcel' met de tekst BRAND, ALARM, POLITIE, waar zich soms een eenzame fietsagent meldde bij het hoofdkantoor. Een burger heb ik er nooit zien binnengaan.

 Behalve wij. We maakte bommen uit zwavel, kaliumchloraat en koolstof, gekocht bij de kleine drogist. 'Voor scheikunde op school.'

Ik had begrepen dat een ontploffing in een afgesloten ruimte tien keer zo hard knalt. En zo vulden we fotoblikjes met chemicaliën, wikkelden er ijzerdaad omheen en legde de bom in de alarmcel, met een brandende krant er onder.

 De volgende ochtend waren alle ramen van de alarmcel wit uitgeslagen of gebroken.

 De knal van mijn leven.

Toekomst

 Zes jaar oud was hij, en ging nu naar de Lagere School. Een dreigend gebouw met overhangende dakranden en lange gangen met glimmend zwarte tegels tot boven kindhoogte, met daarboven een streep okeren decoratie, ook van glimtegels. De hele gang door hingen kinderjassen aan haakjes.

 Er werd hem een leeg haakje aangewezen met het nummer 53. 'Dit is voor jouw jas. Je kunt hem nu wel uittrekken. De klaslokalen keek je binnen als je door de gang liep. Klas­sen vol kinderen waarvan sommige rekentafels repeteerden. De armen over elkaar.

 Eindelijk weer thuis vroeg hij tante Lien hoe lang dat zou gaan duren. 'Zes jaar', zei ze. 'En dan?' vroeg hij.

 'Dan ga je naar het gymnasium.' Hoe wist ze dat?

'Hoe lang duurt dát?'  'Ook zes jaar.' 'En dan?'

 'Dan ga je eerst in militaire dienst, en dan studeren'.

 Tante Lien was beslist helderziend.

 'En hoe lang duurt dat?' Haar schatting bedroeg zo'n acht jaar. Twintig jaren toekomst waren dat, bij elkaar. 'En dan?'

 'Dan ga je trouwen en krijg je kinderen. En een baan.'

Competitiekaart

 Wilde je in een competitie spelen, al was het adspiranten 4D, dan moest je naar de sportkeuring en daarna kreeg je met inlevering van een pasfoto je competitiekaart.

 Die kaart moest je voor de wedstrijd inleveren bij je elftal­leider. Een oudere heer met een hoed, die nog voor de oorlog in het eerste had gespeeld. Die leverde onze kaarten in bij de scheidsrechter, die zich intussen had verkleed in het aparte kleedhok dat daarvoor was.

 Daarna werden we voor hem opgesteld en riep hij de namen af: Van Erp, Van der Zande, Kantelaar... Je moest dan 'ja meneer' zeggen, hij vergeleek de foto met het gezicht en zei 'ja' als het klopte.

 Scheidsrechters waren mij onbegrijpelijke personages. Altijd piekfijn in het zwart en met voetbalschoenen aan. Maar nooit schopten ze een bal. Grensrechters waren de elftalleiders, die hun clubdas als vlaggetje gebruikten.

 Terug naar de clubtent waar de man in het zwart bij mij kaart was aangeland. 'Noordhoek'. 'Ja meneer.'

 Na afloop werd ik aangeklampt door de rechtsbuiten van de tegenpartij, die naar mijn naam informeerde. En ja, hij zat op de Zuiderpark HBS waar mijn vader een gevreesde leraar Duits was. Nog ze ik zijn grote ogen van schrik: 'Is dat je vader?'

 Twee werelden botsten op elkaar. 

Vestibule

 Wat ook verdwenen is: de vestibule. Waar de kapstok hing met daaronder vaak een 'bijzettafeltje' met daarop twee houten hondjes met kleerborstels in hun bekken.

 De vestibule scheidde het woonhuis van de straat. Jassen werden er uitgetrokken, bewonderd en opgehangen. Soms aangenomen door een bediende.

 Tussen de vestibule en de gang zat de zg. tochtdeur. Vaak opgehangen in klapscharnieren.' We stoken niet voor de bur­en.'

 Een vestibule is een ruimte, maar ook een vrouwelijk lichaamsdeel. Het vaginaal vestibulum is de anatomische naam voor de ingang van de vagina: de ruimte tussen de genitaliën die zich buiten het lichaam bevinden, de vulva, en de interne genitaliën, de vagina. Zie, een vrouw is een huis, is een vrouw, met receptieruimte.

 Het woord komt van het Latijnse vestibulum. Ook in de Medische wetenschap heet het zo. Zelfs het Witte Huis heeft een vestibule, die zo heet. Zij het zonder borstelhondjes.

 Waar laat je tegenwoordig je jas? Op het bed. De slaapkamer is vestibule geworden.

Plaatsbepalingen

Wie? Waar? De tweede bundel van Bernke Klein Zandvoort heet 'Veldwerk'. En kun je lezen als proeven van moderne archeologie. Onder­zoekingen, waarnemingen. Soms kort en nabij, zoals:

 'Van alle plekken in mijn lijf

woon ik het meeste in mijn linkerwang'

  

Slaap, wakker worden en alles er tussenin. Zoals slapeloosheid:

  'er is een nacht in de nacht

soms word ik daarin wakker

dan bekijk ik gedachten

het gebouw waarin ik slaap

 

hoe tussen betonlagen het wezen van de stad

met dekens meevalt naar beneden

 

hoe tussen alles wat rechtop blijft staan

de mensen besloten te gaan liggen

 

in alle helderheid kom ik mezelf in mijn borstkapel tegen

(poem poem

(poem poem)

(poem poem)

(poem poem)

           tot de beklimming van de dag

 

waar ik wakker word achter gesloten ogen

met de eeuwig irritante vraag of dat wat niet gezien wordt er ook niet is

 

dat in een schelp een audio-opname kan blijven hangen

geloofde ik tot minstens negentien

Kerstkist

 Over de kerstviering hing bij mij thuis een dreiging. Je zag het aankomen. Mijn grootvader, de ouderling, werd opgehaald en was de enige gast. Mijn jongere broer, die op voet van oorlog leefde met mijn vader, zocht moeilijkheden, bijvoorbeeld door bekken te trekken als opa langdurig uit de Bijbel moest lezen.

 Ook de muziek was problematisch. Mijn vader had gedacht het op te lossen met een grammofoonplaat. Op het label van deze EP stond Deutsche Grammophon Gesellschaft en 'Jesu Joy of mans desiring' en J.S.Bach, de melodie die de organist elke zondag aan het begin van de dienst in opa 's kerk speelde voor hij in zijn kerkepak met het collectezakje rond moest. Er kwamen veel knopen in het zakje terecht.

 'Dit herken je vast wel vader'. Maar opa herkende niks, hij was toondoof. Een zg. 'brommer'.

 Toch was er een lichtpuntje met kerst. 's ochtends, als mijn vader uitsliep pakte mijn moeder de 'kerstkist' uit haar jeugd uit. Vol gebroken kerstballen en pieken, maar ook met de glazen vormpjes voor zandtaartjes, waar mijn broer en ik de kaarsestompjes van vorig jaar in mochten smelten en laten stollen met oude lonten.

 Stak je die aan en liet je deze bootjes drijven in de grote glazen schaal, dan kreeg je een schouwspel van spiegelende vlammetjes, bedacht door haar lang gestorven moeder.

 Licht van lang geleden.

Verdwalen

 De vioolstad Cremona, waar Stradivarius vandaan kwam is gebouwd in een stervorm. Vele kaarsrechte wegen leiden vanuit het centrum, met zijn kathedraal en het baptisterium naar de steden in de Povlakte rondom, waaronder Brescia, waar ik vandaan was gekomen.

 Zuchtend zakte ik neer naast de twee reuzenleeuwen die de kerkpoort bewaken. Hoe was ik hier gekomen? En hoe kwam ik weer terug bij de auto? Ik probeerde verschillende uitval straten. Stuk voor stuk. Maar steeds kwam ik weer langs onbekende gebouwen.

 De weg vragen? Vergeet het. Wat is verdwalen? De zonnestand kon niet helpen, er was geen zon. Wat herinnerde ik me. Dit sportveld? Of was de wedstrijd al afgelopen? Nee. Dit hotel? Evenmin. Al vlug ben je ook de windrichtingen kwijt.

 Mijn vriendin schoot te hulp. En leerde me dat vrouwen anders verdwalen dan mannen. Waar ik was uitgegaan van de logica van de plattegrond zocht zij naar winkeletalages.En dat werkte. 'Ja, dit jurkje heb ik eerder gezien.' Het witte jurkje met gele noppen bracht ons drie afslagen verder bij een ander sportveld, waar nog gevoetbald werd.

'Ja, hier.' De blauwe Peugeot stond onnozel, een zijstraat verder. Het werd donker.

Oorlog

 Gisteren schreef ik over mijn geëmigreerde Leersumse tantes. En over de Lomboklaan en de Uilentoren, die ik als kind al griezelig vond. Waarom? Er was daar in de oorlog iets gebeurd, zoals op veel plaatsen op de Heuvelrug en de Veluwe.

 En nu kreeg ik een werkstuk uit 2011 van een scholier uit de buurt dat veel oplost. Over wat er op 5 mei 1945 op de Lombok­laan gebeurde. Gebaseerd op 37 getuigenverklaringen.

 De plaatselijke SS zat ingekwartierd aan de Lomboklaan. Er volgt een confrontatie met de Binnenlandse Strijdkrachten, die wapens vervoeren. Er wordt geschoten. Na de schietpartij op de Lomboklaan arriveren verschillende SS-ers en burgers ter plaatse. Er zwerven ook Duitse militairen door het bos. Een chaotische situatie.

 De vuurwapens worden gevonden. Er vallen doden. Omstreeks 12.00 werden op de Lomboklaan burgers naar huize De Steiger gebracht. Er lagen daar drie lijken.

 Groepen burgers moesten door de Lomboklaan langs de lijken defileren.

 De naam van de schrijver van dit onderzoek ken ik niet. Hoe mijn tantes in De Steiger en later ook in de belendende Stroohoed (vanwege het rieten dak) kwamen te wonen weet ik ook niet.

Tags: 

Tante

 Het meisje rechts op de onscherpe foto is mijn tante Be, de jongere zus van mijn moeder, die mijn andere handje vast houdt.

 Dit is de Lomboklaan in Leersum in 1944, die vrij steil omhoog loopt naar die vreemde 'folly' de Uilentoren. Halver­wege woonden de tantes Be en Wies in het huis De Steiger. De tantes die kort na deze foto naar Nieuw-Zeeland emigreerden.

 Mijn vader had een hekel aan Be. Alleen als hij er niet was kon mijn moeder het echtelijk bed aan Be en haar v­riendjes lenen. Ik logeerde vaak in De Steiger en hoorde Be ongeduldig pianoles geven achter de schuifdeuren. Ze had conservatorium gedaan, maar het podium nooit bereikt.

 Wies ging eerst alleen naar Nieuw Zeeland, om poolshoogte te nemen. Mijn vader zag niets in emigreren en riep rond dat je daar 'ziekenhuisvlo­eren moest dweilen'. Be kwam na.

 Eenmaal daar viel alles tegen. Mijn moeder stuurde elke week de Libelle en de Margriet, wat daar hoogstmoderne bladen waren. Ze heeft niet meer gespeeld. Ik heb haar piano geërfd.

 En ze trouwde met de buschauffeur oom Ken, die mij een speldje van 'Bedford' stuurde, maar die ik nooit heb gezien. Samen keerden ze terug naar Engeland, waar hij vandaan kwam, naar Kent.

De tantes

 Ze waren de dochters van de bakker op Wolphaartsdijk in Zeel­and en wat men toen noemde 'overgeschoten'. De beide zusters van mijn grootvader kwamen terecht in het Westland. Honselersdijk, tegenover de veiling, tussen de kassen.

 Tante Bella gaf daar les aan de huishoudschool, tante Dien, die eigenlijk Dingena heette glimlachte stilletjes maar zei zelden wat. Ze deed het huishouden, las boeken en stierf al vlug. Dien was een mooi meisje geweest maar verlegen. De mannen die gekomen waren zinden haar niet. Bij tante Bella ben ik nog tegelmatig op bezoek geweest. Ik kreeg dan thee met een chocolaatje en een Peter Stuyvesant. De asbak had de vorm van een vis. Mijn vader loerde op de 'riem' die ze van een achterneef had geërfd, die omstreeks 1860 vanuit Den Briel was geëmigreerd. Een dubbele riem waarin je geld en papieren kon ver­bergen. Brieven ook. Ik las de brieven van neef, die altijd begonnen met 'Wij zijn heden goed gezond en hopen van u het zelfde'. Ik las hoe hij na aankomst met de trein naar Chicago reisde en het licht opeens uitging. 'k Docht 'k wier doot'. Van tunnels hadden ze in Zeeland nooit gehoord.