Frank Koenegracht aan zee

 Naast en tussen de dingen is veel. En gebeurt van alles. Door weinigen opgemerkt. Gelukkig hebben we Frank Koenegracht, die het noteert. Zonder dat het er iets van merkt. Nu is er zijn bundeling 'Alle gedichten' waarin je met eigen ogen ziet dat dit echt waar is. Ik herinner me dat Frank en Geeske een huisje op een waddeneiland huurden maar dat Frank dagenlang binnen bleef, zodat Geeske vroeg wanneer ze nu eens naar zee zouden gaan. Waarop Frank antwoordde 'Ik ben de zee'.

 'NIETS valt mij in

dan stilte en de kleur van melk.

Het vraagstuk van de vreugde

is opgelost.

 

Waren mijn dagen eenvoudig,

en was zij hier,

ik kuste haar en zei iets.

Maar ze is weggegaan.

 

God slaapt,

de speldeknoppen slapen

op de spelden en de honden

in hun koppen; op een kier.

Dick Hillenius

 De bioloog, musicus en dichter Dick Hillenius (1927-1987) ontmoette ik in zijn werk­plaats, in een van de houten huisjes achterin Artis, een ruimte met terraria vol reptielen en amfibieën. Het rook er. Hij schreef wekelijks een rubriek in Vrij Nederland.

 Toen hij daar werd opgezegd heb ik hem een rubriek op de radio aangeboden. Te laat, kort daarna stierf hij. Nu heeft zijn collega bioloog Tijs Goldschmidt het boek 'Ademgaten' samengesteld, 'Denken over dieren'. Daarin vond ik wat hij oppikte uit een interview met filmer Ingmar Bergman. Bergman zei dat vrouwen beter toneelspeelden dan mannen - hij werkte met vele - vanwege hun voorliefde, van jongsaf, voor verkleden, het plezier van in de spiegel kijken, opmaken etc. Mannen zouden daarentegen beschaamd zijn om in de spiegel te kijken. Zegt Tijs Goldschmidt: 'Daar past volgens mij bij het grote verschil in mannen- en vrouwenmode; de eerste vrijwel stagnant, de tweede constant wisselend'.

 Goldschmidt stelt dan het miljoenen jaren oude verschil tussen de op jagen gespecialiseerde man en de in thuiszittend kinderverzorgen gespecialiseerde vrouw. Vrouwen willen de beste jager en die vang je als beste verleidster (en daarna vasthoudster) van mannen.

 In dit patroon past de vrouwelijke neiging tot theater, opschik, het kritisch bekijken van de eigen verschijningsvorm en het even kritisch bekijken van concurrenten. En daar komt het klassieke beeld van de lelijke dikke rijkaard en zijn fraaie jonge vrouw. 

 Het duo Carlo Ponti en Sophia Loren, onsterfelijk.

 ps. Natuurlijk roert Hillenius in zijn korte stukje ook de nature-nurture discussie aan, die in de jasren '70 woedde. De opvoeding mocht geen nadruk leggen op man-vrouw verschillen! 

De tranen van Vicky Baum

 Steeds kom ik weer terug in het eertijds wereldberoemde en verfilmde 'Menschen im Hotel' van Vicky Baum (1929). Waarom? Het is weergaloos geschreven, niet alleen in wat je noemt 'stofuitdrukking' maar in alle denkbare tast en voelbare stoffen, kleren, tapijten, make-up en wat vrouwen erin behaagt. En dan de onverwoestbare ironie.

 De hoofdfiguur, de ehemalige sterballerina Grusinskaja, heeft haar laatste Berlijnse voorstelling voor een treurige halflege zaal in Berlijn gegeven en treft op haar kamer de hoteldief Geigern, die zich uit de situatie redt door te doen of hij ver­liefd op haar is.

 En volgt een sleutelscene, de altijd vormelijke Grusinskaja is aan haar eind, wil niet meer leven en wil huilen. Eerst komen er maar twee tranen: 'Die zich eindelijk uit de kramp van deze avond losmaakten. Ze voelde deze tranen in heel haar lijf, in haar tenen maar ook in haar vingertoppen ook en dan in haar hart, en tenslotte belandden ze in haar ogen, rolde langs haar strak opgemaakte, lange wimpers en vielen in haar handpalmen.' (...)

 Nadat Grusinskaja de eerste twee pijnlijke tranen toegelaten had ging het makkelijker. Het begon met een dunne, eenvoudig wegvloeiende tranenbui, die warm en koel tegelijk was als zomerregen, daarna kwam daaruit een hartstochtelijk stromen voort, een zwart stromen, terwijl haar wenkbrauw-opmaak vol­ledig losliet tenslotte wierp Grusinskaja zich op haar bed en snikte vele Russische woorden in haar handen, die ze gevou­wen voor haar mond hield.

 Gaigern veranderde bij deze aanblik van een hoteldief, die er na aan toe was de vrouw neer te slaan, in een man, een groot, eenvoudig mannenschepsel dat geen vrouw kan zien huilen zonder te hulp te snellen.'  Geestig schrijven over mannen versus vrouwen, een verloren kunst. 

Tags: 

Robert Seethaler en de doden

 Als de doden op hun leven konden terugzien, wat zouden ze ervan vertellen? Een verhaal. Of de herinnering aan een moment, een bepaald gevoel?

 Als er iemand sterft kan ik meestal niet nalaten te denken wat ik tegenover hem of haar verkeerd heb gedaan. En wat nooit meer goed te maken is. De roman Das Feld van Robert Seethaler gaat over 'de laatste dingen'. Over wat je niet begrijpen kunt. Je leert eerst een man kennen die elke dag naar een uithoek van het kerkhof in een kleine stad gaat, daar zit onder een berkenboom en zijn gedachten laat gaan over de doden.

  'Het opduiken en verdwijnen van de gezichten in zijn hoofd deed hem plezier, en soms lachte hij zachtjes in zichzelf, met voorovergebogen bovenlichaam, de handen gevouwen over zijn buik, de kin op de borst gezakt. Als iemand hem op zo'n moment uit de verte had geobserveerd, misschien een tuinman of een verdwaalde kerkhofbezoeker, dan had hij de indruk kunnen krijgen dat de man aan het bidden was.

 De waarheid is: hij was ervan overtuigd dat hij de doden hoorde spreken. Wat ze zeiden kon hij niet verstaan, Maar hij hoorde hun stemmen net zo duidelijk als het vogelgekwetter en het gezoem van de insecten om hem heen. Soms verbeeldde hij zich zelfs in de zwerm van stemmen aparte woorden of flarden van zinnen te kunnen onderscheiden, maar hoe ingespannen hij ook luisterde, het lukte hem nooit de fragmenten tot iets zinvols samen te voegen. Hij stelde zich voor hoe het zou zijn als elke afzonderlijke stem nog eenmaal de gelegenheid zou hebben gehoord te worden. Natuurlijk zouden ze over het leven spreken. Hij dacht dat de mens misschien pas dan een slotoordeel over zijn leven kon hebben als hij zijn sterven achter zich had gebracht.'

Eenhoorn

 Het was met dit weer dat ik over de Italiaanse zeealpen liep, hoog boven Genua, Door een zee van bloemen - mille fleurs - temidden van de geuren van de kruiden waaruit van oudsher de pesto wordt gemaakt. Die niets kost.

 Een schilderij van de gebroeders Van Eyk, lijkt het waarop alle toen bekende bloemen zijn afgebeeld. Een omgeving waarin alles mogelijk is. Zo dacht ik aan de Eenhoorn, het wonderdier dat altijd weer terugkeert. Het is en blijft immers met die hoorn op weg naar de schoot van de maagd. En altijd wordt er jacht op hem gemaakt.

 En niemand haalt het in z'n hoofd bij dit verhaal ongepaste toespelingen te maken. Het op weg zijn is voldoende. Op de mooiste en bekendste afbeelding, van de geke­tende Een­hoorn, uit  de serie tapijten die in Parijs hangt. In een afgerasterd stuk wei. Gevangen en alvast geboeid met een prach­tige leren halsband. onder een granaatappelboom.

 Het werd wel gezien als een in gevangenschap van zijn lief­de gebonden man.

 De Reformatie heeft de Eenhoorn verbannen en vervloekt. Er kwamen toespelingen. Zoals de Reformatie alle toverij uit het geloof heeft gebannen, de schilderingen vernietigd en de beelden stukgeslagen.

Rilke in Parijs

 Rilke in Paris is een boekje met fragmenten uit Rilkes proza, deels in Parijs geschreven, met commentaar van Maurice Betz en vertaald en ingeleid door Will Stone. Wat me erin trekt is de hang naar eenzaamheid en het steeds terugkomen op het overweldigende verhaal Malte L­aurids Brigge.

 Mooie grafische Parijsfoto's. En jeugdherinneringen en -beschouwingen. Zoals deze. Hoe geef je als volwassene een kind een cadeautje? En hoe ontvangt een kind zo'n cadeautje?

'De onhandigheid en domheid van volwassenen zijn zonder eind! Ze vinden manieren om binnen te komen met hun minderwaardige pakjes die voor heel iemand anders bestemd zijn. Je rent ze tegemoet en dan moet je nog net doen of je de slaapkamer rondcirkelt om iets te vinden om te doen, maar zonder duidelijk doel... En dan is het het kind dat moet waarschuwen voor de fouten van anderen, hun schaamte bedekken en in hen de illusie bewaren dat ze er zich bewonderenswaardig uit redden. Dit, in elk geval, lukt gemakkelijk, zelfs zonder een speciale aanleg ervoor. Een speciaal talent had je nodig wanneer iemand moeite deed en een verrassing meebracht, vol ongeduld en een joviale bonhomie, een plezier - en al van een afstand kon je zien dat dit plezier goed was voor iedereen behalve voor jou dat het een volledig vreemd plezier was; je wist zelfs nooit wie er wat aan zou kunnen hebben, zo vreemd was het.'

Nietzsche eet

 Omdat ik niet zo gezond ben nam ik Nietzsches laatste boek 'Ecce homo'­ - vertaling Pé Hawinkels - ter hand, waarin hij zijn werk, het nut en de betekenis ervan nogeens samenvat. En ook zijn manier van leven. Wat moet je eten en drink­en, wat vooral niet, hoe moet je je bewegen en waar. 

 Hij heeft altijd slecht gegeten, zegt hij, de Duitse beschaving heeft hem veel kwaad gedaan en vooral de keuken. Neem de gewoonte van 'soep voor het eten' (nota bene bij mij thuis ook elke dag)  Wat in oude Italiaanse kook­boeken al 'alla tedesca' heet; 'De uit­gekookte vleessoorten, de vet en melig gemaakte groenten.' Kortom, ken je dit dieet, 'dan begrijp je ook de herkomst van de Duitse geest - geplaagde ingewanden. De Duitse geest is een indigestie, hij komt nergens mee in het reine.'

En dan de wijn, vooral die uit zijn woonplaats Naumburg: 'om te geloven dat wijn vrolíjk maakt, daar zou ik christen voor moeten zijn, dat wil zeggen: geloven wat juist voor mij absurd is.' Geen wijn dus, maar water. 'Ik geef de voorkeur aan plaatsen waar overal gelegenheid bestaat om te putten uit stromende bronnen; ik heb een glaasje, dat loopt mij na als een hond.'

En dan: 'Geen tussenmaaltijden, geen koffie; koffie vertroebelt. Thee is enkel 's morgens te verdragen. Weinig maar stevig: thee is zeer schadelijk en de hele dag lang ziek makend, als hij ook maar een gradatie te slap is.' En tenslotte: 'Al het goede komt uit de ingewanden. - Zitvl­ees - ik heb het al eens eerder gezegd - de zonde tegen de heilige geest.- '  

Ps. Mijn indigestie is over.  

Parijs revisited

 In haar juist verschenen boekje 'Parijs revisited' vertelt Sarah Hart van haar kennismaking met de Franse taal. Dat begon in Engeland in de kleuterklas met een experiment: 'ze hielden platen omhoog en dan riepen we in koor: 'La maison!' 'Le garçon!' 'le ballon'.

 Op mijn lagere school probeerde de oude meneer Van der Poel het met liedjes: 'Sur le pont d'Avignon', wat ontaardde toen de plastic membraam-saxofoontjes kwamen en kinderen vroegen of ze mochten 'meespelen'. Het gymnasium bracht een echte Fransman die zich introduceerde als Henri Rene Boulan uit Le Havre, zodat we meteen de uitspraak van de hache muet en de hache aspiré leerden.

 Boulan had vreemde gewoonten. Te laat komen mocht je bij hem altijd, mits je op de vraag 'Je bent te laat, hoe komt dat?' maar het enige juiste antwoord gaf, namelijk 'De brug was open meneer'. Dan kon je gaan zitten. Bij alle andere smoezen werd je naar de rector gestuurd. Lastig want er waren weinig opengaande bruggen in Den Haag.

 Zijn hoogtepunt was de hoofdrol in Molières 'Le bourgeois Gentil homme' waarin iemand een gitaar op zijn hoofd stuksloeg, zodat hij met zijn hoofd door een gat in een kartonnen gitaar over het podium ronddoolde.  

 Ernstig werd hij bij 'La neige en deuil', (de sneeuw in rouw) van Henri Troyat. Een boek vol alpinistenjargon waarbij hij steeds weer een oud nummer van Paris Match liet rondgaan met foto's bergbeklimmers.

 Op de camping beproefde ik mijn Frans op een jongetje uit de buurtent, dat me laatdunkend aanhoorde en toen zei 'Ah, papa fume une pipe, maman coupe le pain.' Wie het Frans niet piekfijn beheerst is een idioot, leerde ik toen.

Tags: 

Heine en de keizer

 Ik lees de Reisebilder van Heinrich Heine, in 1987 keurig uitgegeven in de DDR, Berlijn en Weimar. In 1826 is hij in Düsseldorf en ziet met eigen ogen de keizer voorbijkomen, die een ritje maakt in de hoftuin, te paard:

 'Maar hoe was het me te moede toen ik hem zelf zag, met hoogst begen­adigde eigen ogen, hem zelf, Hosanna de keizer!

'Het gebeurde om precies te zijn in de Allee van de hoftuin in Düsseldorf. Toen ik me door het zich vergapende volk heen drong, dacht ik aan de daden en veldslagen die Monsieur Le Grand me had voorgespiegeld, mijn hart sloeg de mars der generalen - maar toch dacht ik tegelijkertijd aan de politieverordening die zei dat je op straffe van vijf Taler niet door het midden van de Allee mocht rijden. En onze keizer reed met zijn gevolg dwars door het midden van de Allee, de eerbiedige bomen bogen zich naar voren waar hij voorbijkwam, de zonnestralen sidderden bevreesd nieuwsgierig door het groene lover, en aan de blauwe hemel erboven dreef zichtbaar een gouden ster. De keizer droeg zijn ongedwongen groene uniform en het kleine wereldhistorische hoedje. Hij bereed een wit paardje, zo trots en rustig, zo zeker, zo uitstekend - was hij toen kroonprins van Pruisen geweest, ik zou dat paardje benijd hebben.

Tags: 

Narren

 Het is eerder gebeurd. Maar nu komen er meer clowns en narren aan de macht dan ooit. Italië voorzag in Grillo, Berlusconi en eerder Mussolini. Nederland voorzag in Fortuyn, Wilders en Baudet. Trump kwam. En nu is er Boris Johnson.

 Maar Jaroslav Hasek"(1883-193), auteur van het onsterfelijke De Brave Soldaat Schwejk heeft het verschijnsel, de nar in de politiek, het best beschreven in dit stukje zelfreclame.

"Als leider van de Partij voor Geleidelijke Vooruitgang binnen de Grenzen van de Wet en als haar kandidaat, moet ik mijn doen en handelen zo objectief en tegelijk zo overzichtelijk mogelijk beoordelen, opdat niemand ook maar een enkel glorieus puntje van mijn karakter zal ontgaan. Er zijn werkelijk momenten in mijn leven dat ik bij mijzelf fluister, verrukt van mijn eigen daad: 'Mijn god, ik ben een moordvent.' Maar wat zou ik daar aan hebben  wanneer de wereld daar niets van weet."

Waar kan ik dit taalgebruik van? Ziedaar: Trump, Baudet, Boris