Lazzaro Felice

 Het speelt zich af in een Italiaans bergdorp, vergeten door de tijd. Zoals de Vergeten straat van Louis-Paul Boon. En zo blijven een vervallen landgoed met heersende markiezin en haar verwende zoon plus de nooit betaalde arbeiders van de tabaksplantage door de tijd onaangeroerd.

 Een modern Doornroosje-verhaal is het, een sprong in de tijd, of eigenlijk een val, die boerenknecht Lazzaro, maakt om pakweg twintig jaar later te ontwaken in een grote stad van nu. Een moderne Lazarus, zoals de Bijbelse door Jezus uit de dood gewekt.

 De eng­el ontwaakt tussen zijn voormalige dorpsgenoten, die zijn verworden tot zwervers in de stad en die werk moeten zoeken zoals de migranten van nu.

 De boeren zijn wel ouder geworden, alleen Lazzaro is sinds zijn val jong gebleven. Maar hij doet wel af en toe wonderen, min of meer per ongeluk. En hij kan met de dieren praten zoals Fran­cis­cus. Tenslotte verdwijnt hij in de gedaante van een wolf.

  Regisseur Alice Rohrwacher laat het doodarme oude boerenland zien zoals je het kunt lezen in de verhalen over polenta-eters in de Langhe van Cesare Pavese. En daarmee logisch verbonden het lot van het stadsproletariaat - Italiaans of van overzee - van nu.

Tags: 

De droom van Malaparte

 De mensen dromen niet meer lijkt het wel. Ik hoor er niet van. Waar bleven de dromen, ongerijmd, betoverend. Ik zou een dromenc­lub willen stichten, zoals W.G.Sebald zijn Toevalsclub had. Dit is uit het 'Dagboek van een vreemdeling in Parijs' van Curzio Malaparte, 1947 (?). Vertaald door Jan van der Haar:

 '19 december. Vannacht heb ik weer de droom gehad die ik al jaren van tijd tot tijd heb. Mijn moeder komt 's nachts mijn kamer binnen, zegt met gruizige stem: 'Schei uit met werken, je bent moe, ga naar bed.' Ik kijk haar aan, ze ziet bleek en ze glimlacht. Dan staat ze op en gaat weg met achterlating van haar blanke hand op mijn schrijftafel. Ik sta op, pak die zware, dode hand, open het raam, gooi hem het raam uit. Daar beneden ligt de tuin van mijn huis in Forte dei Marmi Ik hoor het geluid van de zee. Een vogel zingt. Ik herhaal steeds dezelfde woorden: '21 maart 1948'. In december 1935 heb ik in Forte dei Marmi voor het eerst deze droom gehad.

 Ik moet weg uit Parijs. Lichtwitz oppert mee te gaan naar Chamonix. Ik ga naar Chamonix. Ik ben bang voor deze droom. Die brengt ongeluk.'  

Tags: 

Professoren

 Ik maak notities over mijn eerste studiejaar in Amsterdam (1962-1963). Zoals naar school gaan een unieke kans biedt leraren te bestuderen, hun zenuwtrekjes, hun spraakgebreken, zo laat een studie je zien wat een professor is. Zoals A.J.P Tammes, die Internationale Betrekkingen doceerde en daarbij gedichten schreef als J.C.Noordstar.

 'Toen ik een kleine jongen was

ging ik 's avonds liggen tussen de koude lakens.

Mijn bed was groot en wijd als de wereldzee, 

daar lag ik lekker als een opgerolde slak.

Maar later werd mijn lichaam groter en harder,

en wanneer ik nu mijn benen strek

dan slaat mijn hoofd tegen de planken. 

O, ja wanneer je groter wordt

stoot je je hoofd tegen de beddeplank.' 

 (uit 'De Zwanen en andere gedichten', 1930)

 Veel vreemde namen gebruikte hij in zijn colleges. Noemde hij de tweede naam van Stalin, Vissarionovitsj dan vroeg er altijd een toehoorster 'hoe spelt u dat professor' en zei hij 'prec­ies zoals je het zegt mevrouw.'

De jurist A.D. Belinfante - een man die uit pure deftigheid sprak van 'motten' en 'maggen' was er vaak niet - zoals hij aankondigde 'dan mot ik weer het verkeer gaan regelen in Parijs'. Daarmee aangevend dat hij in een internationale commissie zat die de Europese verkeersregels coördineerde. En de politicoloog Lucas van der Land, die in Reve's De Avon­den voorkwam, en vaak in een katerslaap viel, waarna zijn assistent het college over Hobbes overnam. 

 

Armando

 Cherry Duyns dronk niet, omdat zijn vader dronk. Armando, zijn chef en vriend bij de Haagse Post was solidair. En zo liepen ze tussen de middag door de Kalverstraat en kochten rondo's of gevulde koeken bij een gerenommeerd adres. Terwijl de andere journalisten zich bedronken bij Scheltema.

Eens was ik bij Armando thuis. Hij woonde toen nabij Otterlo in een zeer Veluws huisje, maar wel met een pantervel op de vloer en legde uit, terwijl er weer een landbouwmachine voorbijreed,  dat er nergens meer lawaai was dan op het platteland. Daarom werden de opnamen van Herenleed, daar in de buurt, steeds gestaakt wegens geluidshinder. Armando leeft niet meer en ik lees zijn juist herdrukte laatste dichtbundel. Onheil, denk ik daarbij, veel. Dit is 'Ledematen':

 Het heeft een vierkante kaak,

lippen van een achterdeur,

lurven op een kier.

 

Stel dat het in beweging is,

misschien een boom, misschien

een afscheid van het bos.

 

Het hoofd uit vrije wil,

de armen liggen gelijkvloers.

 

Per slot van rekening de benen.

De benen?

Benen hebben gevouwen voeten.

 

Raap de ledematen op,

ga onmiddellijk weg.

Crackers - vervolg

 Van uitstel komt afstel. Zegt het spreekwoord. De cursor schiet als een muis heen en weer. Terwijl tussen mijn voeten een levende muis zoekt naar schilfers van de Barber Cream Crackers, geïmporteerd uit Birmingham.

 Zijn ze straks nog te krijgen? Of zit er - sinds speaker John Bercow gisteren een derde stemming over Theresa Mays 'deal' blokkeerde met een argument uit 1604 - niet anders op dan 'no deal'?

 Ik heb vervangende crackers van Verkade geprobeerd - koopt Nederlandse waar, dan helpen wij elkaar (Reve) - maar daar zit suiker in, de substantie is te dik, en ze missen dat bladerdeeg-achtige waardoor ze niet kraken. En dat moet! Het woord zegt het. Vroeger had je Patria crackers, maar die zijn onvindbaar geworden. En nu lees ik op internet dat ook de Engelse van Barbers zeldzaam worden.

 En dat terwijl er nerve racking Interland Voetbal aankomt, spannender dan de hele Brexit. Overmorgen Wit-Rusland, zondag Duitsland en ik tijdens zo'n wedstrijd makkelijk een pak crackers opeet.

 Wat stress met crackers te maken heeft? Het gaat om het kraken, las ik. dat je terugvoert naar de oertijd, toen je je prooi krakend verslond.

 Daarom wil je dat eten kraakt tussen je tanden.

Uiterlijk

 Hoewel ik een hekel heb aan stukjes waarin iets gezegd wordt over 'de mens' - ik denk meteen 'speak for yourself' - wilde ik graag lezen wat Fernando Pessoa begin juni 1934 schreef:

 'De mens mag zijn eigen gezicht niet kunnen zien, want er bestaat niets ergers dan dat. De natuur schonk hem de gave het niet te kunnen zien en niet in zijn ogen te kunnen kijken. Alleen in het water van rivieren en meren kon hij naar zijn gezicht kijken. En de houding die hij daarvoor moest aannemen was symbolisch. Hij moest vooroverbuigen, bukken om de schandd­aad te begaan zichzelf te zien. De schepper van de spiegel heeft de menselijke ziel vergiftigd.'

 Ik dacht aan Narcissus, die ook in het water keek, verliefd werd op zichzelf en gestraft. En vervolgens aan de selfies van nu. Al staan daar meestal ook anderen op dan de fotograaf. Er zijn dwangmatige zelffotografen. Uit onzekerheid, om hun verschijning te controleren? Of toch uit Narcistische ijdelheid?

 Wat Pessoa zegt kan ik hem nazeggen. Het hebben van een uiterlijk was me een plaag.

Tags: 

Knoop

 Het begon ermee dat ik de boekwinkel een door de New Yorker geprezen verhalenbundel aantrof van de Noorse schrijfster Gunnhild Oyehaug getiteld 'Knopen'. Daar weet ik iets van, de knopen op mijn jas, maar ook die ik leerde bij de padvinderij als de onontwarbare paalsteek en de mastworp.

 Thuisgekomen sloeg ik het titelverhaal meteen op. Een meisje krijgt en zoontje, maar wat zij en de medici ook proberen de navelstreng, waar een knoop in zit, wil niet los. En dat blijft zo. De navelstreng blijkt heel solide en moeder en zoon groeien op als een Siamese tweeling. Waar ze op den duur heel tevreden mee zijn.

 Een van verbazende eigenschappen van de soort is dat mensen zich aan de vreemdste omstandigheden aanpassen. Zo ook hier. Als het jongetje Käre trouwt moet zijn moeder wel bij het echtpaar intrekken. De moeder verblijft in de kamer naast de hunne. Maar dat mislukt.

 Moeder en zoon leven dan vreedzaam tot zij sterft. De oplossing blijkt dat de moeder op het kerkhof zal liggen en dat boven haar graf een huisje voor Käre wordt gebouwd, met een opening voor de navelstreng.

 Daar ziet hij dagelijks de stoeten voorbijgaan waarin altijd een bleek meisje mee loopt. Ze komt langs en hij vertelt haar alles. En hij doet haar en huwelijksaanzoek.

 'Misschien krijg je een kind met net zo'n navelstreng als ik.' 

 Ze zou niets liever willen.

Hoedenoorlog

 Hoe de ondergang van een luxe hoedenwinkel de Eerste Werel­doorlog inluidde. De Hongaar Laslo Nemes brengt in 'Sunset' hoofd en bijzaken onontwarbaar samen, zodat je gaat denken wat is nog wat?

 We zijn in 1913, in Boedapest. De hoeden van de firma Leiter, die eerder in een brand verwoest werd, waarbij het echtpaar Leiter omkomt zijn en blijven schitterend. Dochter Irisz ontdekt het hoe en waarom van het drama.

Oostenrijk-Hongarije gaat ten onder. Aan hoeden, eigenlijk. Erg mooie hoeden.

Meest nachtelijk Boedapest is binnen en buiten spaarzaam verlicht met flambouwen, kaarsen, maar ook gaslicht. Er zijn samenzwer­ingen bij de vleet. De prinses zal hoeden komen passen, maar het hoedenimperium sterft.

Revolutionairen proberen intussen toe te slaan.

De verwikkelingen voeren voor mij te ver om ze te kunnen volgen. Zodat ik overbleef in de eindeloos gerekte chaos van een Titanic-achtige ondergang. Met een gezelschap elegant geklede hoeden-mannequins in een brandende stad.

Zoals een toeschouwer zegt in de film: 'De gruwel van de wereld schuilt achter deze oneindig verfijnde maaksels'.

Aragons Hollandse reis

 In de zomer van 1963 waren Louis Aragon (1897-1982) en zijn vrouw Elsa Triolet in Holland - oa. Tessel, Wassenaar, Utrecht - en schrijft hij gedich­ten. Zijn Hollandse reis is vertaald door Katelijne De Vuyst voor uitg. Vleugels. Dit is een strofe uit de cyclus 'Rotzomer'. Holland, voor een buitenlander bloemenland:

 'Het is net halfzes geweest/ En de bloemist is al dicht/ De bloemen zijn verweesd/ Het is een droef gezicht

 De verkoper is weggegaan/ In de etalage brandt geen licht/ Tot morgen bij dageraad/ Blijft de winkel dicht

 De anjers verpozen/ Net als de orchideeën/ En ook alle rozen/ Komen op ideeën

 Bij de anemonen/ En de korenbloemen/ Zal niemand nog komen/ Om hun geur te roemen

 De asparagus/ Houdt zich kloek/ De boze cactus/ Staat alleen in zijn hoek

 Asters van Amsterdam/ Als de duisternis valt/ Is er geen vrouw of man/ Die je opbeuren kan

 Vergeet elk bloemenfeest/ Ik voel me geheel ontwricht/ Het is net halfzes geweest/ En de bloemist is al dicht

Kruishoutem

 Bij Oudenaarde heet niet meer zo. Het is dit jaar samengevoegd met buurgemeente Zingem en heet nu Kruisem. Zag ik op de VRT. Niemand vertrok een spier. Ik vind het jammer van de naam. Ivo van Strijtem schrijft in zijn 'Een kamer met een tafel en schrijfgerei' het gedicht 'Braambos'. En ja, brand. Braambossen branden daar nog.

 'Braambos is een gehucht/ in een uithoek van Lennik./ Via de Braambosweg ben je er in/ een kleine tien minuten vanaf

 de Kleemstraat. Knobbelig weiland/ knotwilgen en paddestoelen/ ochtendnevel. Er woonde een man/ die twee vrouwen had

 en een tante die voor hem bad/ bij borrel en kaarslicht. Men zegt/ dat er ooit een arend werd gezien/ of een havik. Een adelaar

 zeiden ze daar. Ik zag er slechts/ mussen en koolmeesjes. Maar/ hoorde een nachtegaal op een/ ochtend vol brandnetels

 Napalm in Vietnam. Hier een/ regering van katholieken/ en socialisten. Geen roeping. Altijd/ wel vuur, geen uitslaande brand.'