Mogelijkheden

Europa wil een standaardoplossing voor apparaten. Een standaardoplader. Na een hele ochtend prutsen en bellen met helpdesks krijg ik toch RTL7 niet op mijn tv, terwijl daar toch het mooiste voetbal wordt uitgezonden. En als het nu de eerste keer was. Wat doe je, als amateur? Aan en uitzetten, er harde klappen opgeven. Niks, en dat de gesprekken. War zier u nu? Geen RTL7. De student dan? Mijn vriendin zitte de gesprekken voort, wat eindigde met een monteur, die morgen zou komen.

In de BBC-radiotudio's, dat mooie stenen schip, hadden ze ooit in alle hokken de zelfde microfoon. Ging er een stuk dan haalde je een andere. Toch verdwenen ze. Machtig gebouw, waar alle portiers en baliemannen oorlogsinvaliden waren. 

De  inwisselbaareid van mensen is nog ver, maar Willem Alexander en echtgenote? Daar zijn er toch steeds meer van? Tot en met het uitpuilen toe.  Valt er eens openbaar personage weg dan staat er zo een ander. Jansen en Jansens ontstonden doordat de vader en oom van Herge de zelfde hoeden droegen en allebei met een stok liepen. Omdat ze daar zekf aardigheid in hadden. De drang te zijn als anderen is sterk, behalve dat er dan net een klein, onderscheidend verschil moet zijn, een kroontje of hoedje. Als Jansen en Jansens dat niet niet hebben, volstrekt identiek zijn, is dat grappig. Als morgen de monteur koimt - als ie komt - verwacht ik dat hij zal zeggen ''ó deze, die wordt niet meer gemaakt hoor. Maar er is een nieuwe, met veel meer mogelijkheden'.

Wacht u voor dat woord: 'mogelijkheden'.

W.G.Sebald, de biografie

En meteen slaat de twijfel toe. Is het wel een biografie? Carole Angier schroomt niet zichzelf te portretteren als de onderzoekster die in veel duistertast. 'Speak, silence', vrij naar Nabovov, is een treffende titel, met daaronder ''In search of W.G.Sebald''.  De Duitse schrijver Winfried Georg, die zich in Norwich vestigde. Geboren in 1944, in het Allgau, bij een auto-ongeluk omgekomen in 2001. Hij noemde zich Max, ook omdat hij geen Duitser wilde zijn. Een groot thema in dit boek is wat het betekent om een Duitser te zijn. Maar ik ben nog maar aan het begin van de 600 pagina's. 

De afgelopen jaren las ik Sebalds boeken, die - hoe zeer ontdek in nu pas - zweven tussen fictie en non-fictie. Hij had er groot plezier in als lezers in zijn dubbele waarheden trapten, Carole Angier geeft doorkijkjes, maar wat blijft ons onthouden? Sebalds weduwe Ute wilde niet met haar praten. Begrijpelijk, als je Sebalds omgsng met de feiten leert kennen. Ik heb in Avondlog veel over hem geschreven, nogal wat daarvan had ik van Ria Loohuizen, die aan zijn vertaalclub in Norwich deelnam en die ook bijdroeg aan dit boek.

De door hem uitgezette dwaalsporen blijken talrijk Sebald leerde als kind al geheimhouden, maar hij was niet verlegen en populair bij de meisjes op school. Als Engelse gentleman kon hij aan de universiteit van Norwich een dubbelleven leiden.

Merkwaardigerwijs liep zijn leven op veel punten gelijkop met het mijne. We schelen een jaar. Zijn vader, met wie hij het niet kon vinden kwam als Wehrmachtssoldaat in 1947 terug uit krijsgevangenschap in Frankrijk. Wist hij van Oradour sur Glane, waar hij vlakbij zat? De mijne kwam in dat zelfde jaar terug van politionele acties in Indie, maar wat  hij daar uitspookte blijft raadselachtig. Ook delen we een jeugd op het platteland en de de stap naar de Universiteit. Bij Ria Loohuizen, op het hofje in Amsterdam, waar Sebald altijd langsging na zijn reizen door Europa kreeg ik nog veel meer te horen. Ik lees door.

Plaid

Mij eerste plaid was die van tante Wies, die in Engeland had gewoond en 'jam'op z'n Engels uitsprak. Zelfs de Maggi sprak ze uit als 'Mekki'. En haar hond heette Naughty. Ik verbeeld me dat ik nu weer onder dezelfde plaid lig als toen in Leersum, waar ze woonde. Weer probeer ik de overgangen het zich herhalende ruitpatroon te vinden. De plaid is een halverwege. Tussen zomer en winter, ziek en gezond. Ook nu probeer ik de lighouding te vinden waarin het lijf zich wil schikken. De neus tenslotte tegen de dekenrand. 

De taal der ziekte komt ook nu. Met verhoging',  'instoppen' en 'toedekken'. Ook eetwoorden als 'geen trek', waarna het kopje bouillon oprukt. De plaid weet er alles van, met z'n schotse ruit en z'n geur van generaties verhoging. Schoolziek ben ik, ik weet het. De wereld weet intussen van geen ophouden, fietst in razend tempo voorbij.  

Wegraking

De eerste keer dat ze water over mijn hoofd gooiden, tegen mijn wangen sloegen en hee tegen me riepen was tijdens de dodenherdenking op het gymnasium. Na ellenlange voordracht en klassieke muziek moet ik vanuit mijn staande houding als een zoutpilaar recht vooruit zijn gevallen en neer gekomen op mijn voorhoofd, waar nu een buil groeide.

Ik werd wakker in het kantoor van de administratie waar mevrouw van der Laan me een fles onder de neus hield waaruit een verpestende stank opsteeg die me liet opschrikken. Waarbij het woordje 'vlugzout' hoorde, dat heel een verleden meebracht. Een wereld van adellijke dames waaruit ik zo snel mogelijk wilde ontsnappen. Maarja, dit was ook niet zomaar een school.

Wat ik had meegemaakt werd ''een wegraking' genoemd. Juffrouw Klink, de kwieke lerares Frans, bracht me in haar Fiat 600 naar huis. Heel haar auto rook Frans. Ik zag uit op haar hoge laklaarsjes. Nee jongens hoorden niet flauw te vallen.

Vorige week gebeurde me het zelfde, maar er was geen vlugzout, wel de huisdokter, die mijn levenslange raadsel oploste met een nieuw woord: ''lage bloeddruk''. Misselijk en duizelig. languit liggen en zweten. En na al die jaren een uitleg. Er was kortweg niets aan te doen. Hooguit je vuisten ballen. 

Vlugzout bestaat niet meer.

Zomer

Een stilte waarin je eens – heel in de verte – de bel van Jamin, de eerste gemotoriseerde ijskar met zijn ‘dubbeldik’  hoorde naderen. Misschien ook een drumband. Straks zouden de moeders met hun portemonnees in de hand naar buiten komen.

Achter zo ’n drumband  heb ik meermalen de Duinenmars uitgelopen, de Rode Kruis mars, de Sint Jorismars.  Strak in het gelid, zodat je niet de groep uit mocht om te gaan pissen en het moest laten lopen.

Waar bleef de zakdoek met vier knopen aan de hoeken als hoofddeksel? Ach, er zijn weinig zakdoeken meer. 
Mijn laatste kreeg ik van Els Moors en die heb ik altijd in hun doosje bewaard. Aan de overkant vliegt een koolwitje tussen de brandnetels en het is stil.

it bij wijze van oefening. Later meer.

 

Zacht

Behandel de dieren met zachtheid. Spaar de vogels. Stond op de bordjes rond natuurgebieden. Ook ik wil graag met zachtheid behandeld worden. Vooral door nieuwslezers.

Met nieuwslezers en –lezeressen ontwikkel je een band. Er is in ons land vanouds een strenge, rechtlijnige school van nieuwslezen. De lezer of lezeres dist neutraal de rampen op. Annechien is er zoeen, al voegt ze soms een frivool leren rokje toe. Rob Trip blijft ook onbewogen.

Hoe anders zijn de Belgische huisgenoten! Ze vertellen je het nieuws, laten soms ook merken dat het ze raakt. En af en toe een glimlach loslaten.  Annelies van Herck zie ik zo graag, Wim de Vilder ook. Zij mogen soms ook korte gesprekjes doen met nieuwspersonen, waar bij ons de talloze talkshows het aanbod kaal grazen.

Maar mijn kampioene is Goedele Wachters. Zij heeft de passende mimiek bij alle soorten berichtgeving, is zeer aantrekkelijk en kan de wereld toedekken met een glimlach waarin o zo veel schuilgaat, speciaal bedoeld voor mij.

Uitzicht

Beterschap. Meer dan een mens aankan. Nu maar zien of mijn neuropathie er iets mee kan. Nee, corona is het niet.

Maar mijn straatzicht en de overburen heb ik terug. Overbuurvrouw met een nieuwe fiets en langer haar dan ooit, meer voorbijgaande rugzakjes ook. De acacia-plumeau reikt hoger dan ooit en plant zich voort langs de gevel.

En dan de damesbroeken, waarin de draagsters zich uitleven sinds de stretch-jeans weg zijn. Ruim gesneden en vol bizarre fantasiemotiefjes. Terwijl daaronder strak getrainde ledematen bewegen op de fiets.

Dit is geen straat waar overbuurvrouwen elkaar toewuiven met stofdoeken. En kleedjes kloppen buiten is sinds de jaren ’30 nog steeds verboden. Nu bevatten die vloermatten ook Covid 19 denk ik. Alles komt terug.

Family Guy

Wat me in mijn bedlegerige maanden erg hielp was de strip Family Guy, vooral met de domme hangbuik-vader Pete en bovenal met het hyperintelligente duo baby Stewie en zijn hond Brian. In stijl verwant aan de Simpsons, maar in de teksten onvergelijkbaar snedig.

Family Guy gaat over alles, heel de wereld zoals de televisie die vertoont en dan geanimeerd zoals alleen strips dat kunnen. Je denkt iets en het is zo, de werelden van Me Too, black Lives of feminisme buitelen over het scherm, doodleuk en kalmpjes gadegeslagen door Pete en zijn gezin.

Maar baby Stewie – altijd nog met luier - en hond Brian gaan met dit speelgoed aan de haal, wat voor rampen er ook van komen.

Family Guy is bovenal een laconiek antwoord op de heersende hysterie. Een Nederlandse versie met Broekers-Knol, Rutte en Baudet zou erg welkom zijn. Stewie en Brian weten wel raad met ze.

 

Duizelngen

Duizelingen

Welke kwaal me sinds januari begeleidt weet ik niet. De dokters ook niet. Duizelingen zijn een symptoom. Net als niet kunnen lopen en evenwichtsstoornissen. Ik lig in bed zoals vele zieken, en kijk uit het enige raam binnen mijn gezichtsveld.

Daar zijn bloemen te zien en verderop bomen, die nu van ver wuiven in de wind. De klimmende winde maakt elke dag nieuwe paarse, roze of witte bloemen die ’s nachts sterven, de geraniums doen hun werk, maar ik kan ze van hier niet ruiken.

Het meisje van de kapper aan de overkant laat een klant binnen. Zij is nieuw. Hoe vreemd, alles is nieuw, ik heb een aftastende blik ontwikkeld.

Om mijn werkhok met PC te kunnen bereiken heeft vriendin drie toestellen laten komen waarmee ik me kan verplaatsen. Dat lukt nu, de wereld opent zich, boompjes en struiken halen 8 maanden groei in. 

Uddevalla

 Waar was ik? Noorwegen? Zweden? Er leek geen eind te komen aan de dennebomen. Ik had de nacht doorgebracht in m'n tentje in een bos en was gewekt door grote brokken steen die er op vielen. Buitengekomen zag ik arbeiders bezig stukken rots op te blazen. Weg hier dus. Verder.

 Eindelijk kwam ik aan de oever van het zoveelste meer, met grote stapels boomstam­men en luide zaag­machines. Maar waar? Ein­delijk kwam er een bord, met daarop het woord Uddevalla.

 Omdat ik nog rookte was een greep in mijn jaszak voldoende voor de bijbehorende woorden: 'Sakerhets tandstickör' en 'The Swallow'. Met medailles van wereldtentoonstellingen.

 En de wereld opende zich. Daar was het meisje van de lucifer­fabriek gespeeld door Kati Outinen, uit de meesterlijke film van Aki Kaurismaki.

 Ik gebruikte de lucifers, gespleten, vaak om troep tussen mijn tanden vandaan te halen. Kon een lucifer in het Zweeds ook een tandenstoker zijn?

 Ik wist nu tenminste hoe Kaurismäki aan z'n debuut was geko­men.