Avontuur en techniek

 Alles is een keer uitgevonden. Door iemand. Ik dacht aan de tekenleraar Beks, die zijn asbak op tafel zette en ze: 'Hier is over nagedacht. Door iemand.' Zelf ontwierp hij plastic emmers en gieters. De ontdekking van de ontdekking hield me bezig. De dingen waren er niet zomaar, nee, ze waren bedacht en uitgevoerd.

 Nog denk ik vaak 'welke idioot bedenkt zoiets?'. 0f het omgekeerde. Er waren culturen waarin de vrouwen hun vloeren veegden met een handstoffer. Tot een zendeling de bezem met een steel introduceerde.

 En steeds kom ik weer terug bij de reeks 'Avontuur en techniek', want zoiets heet een reeks. Een serie dunne boekjes, met authentieke il­lustraties. Uitgegeven door ik denk de Wereldbibliotheek. Ik las ze toen ik twaalf jaar oud was. En keerde terug naar de eerste keren in de geschiedenis, de bedenkmomenten. Het ongeloof van de omstanders.

 Daar had je Cornelis Drebbel die met z'n duikboot door de Leidse grachten voer, de architect Jan van de Dom van Utrecht, die de domtoren ontwierp en meer. Uitvinders en ontdekkingsreizigers. Nergens meer te vinden die boekjes. De mijne zijn zoekgeraakt bij verhuizingen.

 De spanning, de sensatie van de eerste keren. De fietsenmakers, de gebroeders Wilbur en Orville Wright met hun eerste vliegtuigje in Dayton, Ohio.

 Lees Kafka's 'Aeroplane in Brescia'. Hij ging kijken en beschreef het in een krant.

Srebrenica, de uitspraak

 Het drama is 25 jaar geleden, vandaag wordt het herdacht. De plaatsnaam Srebrenica zal bij die gelegenheid door gezagsdrag­ers even fout worden uitgespreken als in alle jaren tevoren.

 Toen ik indertijd inwoners van Srebrenica hun eigen plaatsnaam hoorde uitspreken dacht ik meteen 'wij zeggen het verkeerd'. Maar niemand wees Kok en Voorhoeve daarop. Toen nestelde zich bij mij het idee dat het - waarom? - niet correct willen uitspreken van de plaatsnaam waar het om draait de kern herbergt van de massamoord.

 Nu vond ik een protest dat de slavist R.Harmsen al in 2001 verspreidde, maar waarop nauwelijks gereageerd werd. Ik geef een korte versie van zijn betoog dat met wat googelen in z'n geheel te vinden is.

 Harmsen schreef onder meer: de correcte uitspraak van de Bosnische plaatsnaam Srebrenica is diverse keren op de Nederlandse tv te horen geweest, uit­gesproken door mensen die er zelf vandaan komen. In fonetische symbolen, volgens de transcriptie X‑SAMPA is het [sr"ebrentsa]. Een benadering in Nederlandse spelling zou kunnen zijn: Srebbrentsa.

* De r'en zijn tong‑r, geen huig‑r.

* Tussen de s en de r zit helemaal niets, en zeker niet iets als een Nederlandse ch. Het is dus Srebbrentsa, niet Schrebbrentsa.

* De klemtoon valt op de eerste lettergreep.

*  De letter i is in de echte uitspraak zo zwak, kort en ombeklemtoond, dat hij eigenlijk als klank vrijwel helemaal afwezig is.

 Hoewel deze uitspraak helder te horen is, en niet moeilijk na te zeggen voor Nederlandstaligen, blijven Nederlandse radio‑ en televisiepresentatoren, politici, onderzoekers, en militairen die er zelf geweest zijn, hardnekkig diverse foute uitspraken van de naam volhouden.

 Zover deze bekorte versie, met dank aan R.Harmsen.

Beren

 In de keus (‘Denken over dieren’) die Tijs Goldschmidt maakte uit het werk van zijn leermeester Dick Hillenius, die ik nog wel gekend heb, gaat het oa. over beren. En het vermoeden dat beren onze oudste goden zijn.

 Waarom beren, Poeh, Bruintje, Bolke etc.? Beren zouden oorspronkelijke voedselconcurrenten geweest zijn van de mens. Ook alleseters, ook wel eens op de achterpoten lopend. Concurrenten van de echte roofdieren. Ze komen zowat overal ter wereld voor. Soms vereerd als goden. Beren werden soms geroofd en door mensen grootgebracht en vertroeteld omdat ze bij mensen gelijksoortige instincten opwekken. Ze mogen ook met mensenjongen spelen.

 Maar worden ze groter dan moeten ze in een kooi. En na drie jaar moeten ze geofferd worden. En opgegeten.

 Met excuses. Er is honger.

Noordzee

 Hoe was de zee voor de toeristen kwamen? In Normandië kwam ik aanwijzingen tegen. De straatarme kustbewoners woonden in holen in de falaises. Heinrich Heine, die in 1826 op het Duitse eiland Norderney was en schreef:

 'De bewoners zijn meestal bloedarm en leven van de visvangst, die pas in oktober, als het stormt, begint. Veel van deze eilanders dienen ook als matrozen op vreemde koopvaardijschepen en blijven jarenlang van huis zonder hun familie iets van zich te laten horen. Niet zelden vinden ze de dood op het water. Ik heb een paar arme vrouwen op het eiland gevonden, waarvan de hele mannelijke familie zo was omgekomem, omdat de vader met zijn zonen gewoonlijk op hetzelfde schip naar zee gingen.

 De zeevaart is voor deze mensen zeer opwindend; en toch, geloof ik, dat ze zich thuis het best voelden. Ook al zijn ze op de schepen zelfs naar die Zuidelijke landen geweest waar de zon bloeiender en de maan romantischer oplicht, toch kunnen alle bloemen daar niet het lek in hun hart dichten, en midden in het geurige thuis van het voorjaar verlangen ze terug naar hun zandplaat, naar hun kleine hutjes, naar de kudde, waar de hunnen, goed ingepakt in wollen jakken rondhurken en thee drinken, die zich van gekookt zeewater alleen door de naam onderscheidt en in een taal zwetsen waarvan nauwelijks begrijpelijk is hoe ze hem zelf kunnen verstaan.'

Stroom

 De 'stream of consciousness' ofwel 'stroom van het bewustzijn' is een manier van schrijven om het veelvoud aan indrukken weer te geven die zich steeds spontaan opdringen. Bedacht William James in zijn Principles of Psychology (1890).

 Ik las zijn tweedelige Princples op psychology in de wachtkamer van een ziekenhuis, waar mijn vrouw voortdurend haar moeder bezocht. De geest spri­ngt van de ene gedachte op de andere. Pas later werd de term gebruikt in boekbesprekingen.

 De stream of consciousness‑roman is verwant met de 'monologue interieur'. In de 20e eeuw werd het toegepast door diverse, met name Engelstalige, schrijvers, onder anderen door Dorothy Richardson, Virginia Woolf en James Joyce. Die met Ulysses (1922) het beroemdste voorbeeld schreef. Het boek volgt de stroom van gedachten en gevoelens van Leopold, Molly Bloom en Stephen Dedalus op de voet.

 Zou het iets met creativiteit van doen hebben? Ik betwijfel het. In mijn slapeloosheid van nu probeer ik steeds chocola te maken van wat voorbij sjeest, te onthouden wat bruikbaar lijkt. Maar nee, de vroege surrealisten eindigen steeds bij Carmiggelts 'konijn op lange weg'.

Londen 1968

 Sinds Boris Johnson glipt Londen me geleidelijk uit de vingers. Houvast had ik nog aan Heinrich Heine, die er in 1828 was en zich verbaasde over de eindeloze rijen - door kolendamp en vocht gekleurde bakstenen huisjes. En over de huiselijkheid. Toch bewoont iedereen thuis zijn eigen kasteel 'My home is my castle'.

 Thatcher drong later met succes aan op eigen huisbezit. En de Bonzo Dog onderstreepte het met 'My pink half of the drainpipe'. Verder verbazen hem de theatrale uitstallingen in de etalages van de winkels: 'Zelfs de dagelijkse levensbehoeften verschijnen in een verrassende toverglans, doodgewone etenswaren lokken ons door hun nieuwe belichting, zelfs rauwe vis wordt zo aantrekkelijk tentoongesteld dat de regenboogachtige glans van hun schubben ons verleidt, rauw vlees ligt als geschilderd op schone, bonte porseleinen bordjes, met lachende peterselie omkranst. Ja alles lijkt wel geschilderd en herinnert ons aan de glanzende en toch zo bescheiden doeken van Frans van Mieris.(...)'

 Toen ik in 1968 zelf in Londen kwam, het krothuisje van John Peel bezocht, Tariq Ali ontmoette en in het afgetrapte Arts Lab van Jim Haynes in Drury Lane lambs chop at bij temperaturen onder nul waren vuil en armoe het meeste wat je zag. Met bonte kleuren beschilderd, dat wel. Maar ik begreep waar de revolutie van de sixties een reactie op was. Amsterdam was verwend.

 Alleen de kleine doosjes 'Raisins in chocolate' van 1 shilling had ik hier wel gewild.

Helden

 Helden zijn zeldzaam. Maar soms. Mijn eerste held was meneer De Vries. Hij kwam ons tweemaal per week tekenles geven aan de Haagse Zonnebloemschool. Maar wat iedereen al doorverteld had: hij leed aan een haarziekte.

 Er groeide wel wat haar op zijn hoofd, maar alleen in verspreide plukken op sommige plaatsen. Daaromheen was schedel kaal. Zijn eerste tekenles was onvergetelijk.

 Ik ben meneer De Vries, ik kom jullie twee keer in de week tekenles geven. En jullie eerste opdracht is deze: Teken een portret van mij. Hij deelde grijsbruin tekenpapier uit en kleurpotloden. Ik heb het portret nog vele jaren bewaard.

 De tweede held was meneer Balster, die zijn eerste les begon met 'Dictee!'. Hij zette zijn stoel op zijn tafel, ging er op zitten, nam de globe onder zijn rechterarm en de aanwijsstok in de linker.

 'Ziehier, het toonbeeld der wijsheid.'

 Als iemand afkeek kreeg hij een tikje met de stok.

Boulan

 De eerste volwassen mannen die ik te zien kreeg waren - buiten mijn vader - de eigenaardige personages die in het beroep van leraar terecht waren gekomen. En dat levenslang moesten blijven.

 Voor ik Frans kreeg van de heer Boulan (uit Le Havre) werd me ingefluisterd: 'Als je te laat bent en hij vraagt waarom, altijd zeggen "De brug was open." Nu waren er in Den Haag-West nauwelijks bruggen die openklapten, maar ik zag hoe de laat komer voor mij met strenge hand naar de rector verwezen werd. Dat werd een middag strafschrijven.

 Dus toen Boulan gezegd had 'Te laat, hoe komt dat?' antwoordde ik prompt 'De brug was open meneer.' En zei hij 'Mooi, ga maar zitten.' 

 De les bestond uit het vertalen van La neige en deuil van Henry Troyat. De sneeuw in rouw was een bergbeklimmersdrama met veel klimapparatuur die wij niet kenden.

 Altijd stak er iemand wel een vinger op, en dan klom Boulan op zijn stoel en pakte van de bovenste kastplank een oude Paris Match vol Alpenavonturen, die hij liet rondgaan. Dit gebeurde nogal vaak, zodat wij weinig Frans leerden.

De professor en Anna Weber

 Hoewel ik van mijn zesde tot mijn negende jaar woonde in het bijgebouw van het 'Huis te Eerbeek' aan de Professor Weberlaan 1 aldaar, ben ik pas dezer dagen op zoek gegaan naar de Duitse  professor Max Weber en zijn vrouw Anna. die er woonden tot 1937 en 1942, toen Anna stierf. Een geestrijke vrouw, volgens biografe E.D.Holsappel in de levensbeschrijving die nog leverbaar is bijn Primera in Brummen.

 Weber kwam uit Bonn, was een wereldberoemd zooloog en werd tot Nederlander genaturaliseerd. Hij doceerde in Amsterdam. Anna was gespecialiseerd in algen en publiceerde over de rol ervan bij het ontstaan van koraalriffen. Op een reis naar Nederlands Indie ontdekte Max 131 onbekende vissoorten. Later specialiseerde hij zich in walvissen. nna werd eredoctor in Utrecht.

 Op het Huis te Eerbeek logeerden internationale geleerden. Die zich verbaasden over de dieren die er rondliepen zoals Simpie, de aap die elke avond door Weber toegedekt moest worden voordat hij ging slapen en over de civetkat die tot schrik van de gasten nog wel eens plotseling onder de sofa vandaan kon springen. En over Piet, de kasuaris. De Webers bekommerden zich ook om het dorpsleven en stichtten oa. het gemeenschapshuis 'Eerbeeks Belang' dat ik goed kende en een Nutsschool. In de tuinen stonden exotische planten en bomen die ik - op sterven na dood - nog meegemaakt heb.

 Toen ik er woonde was alleen het echtpaar Pannekoek nog over, die de mooie kamer op de eerste verdieping bewoonden

Wouter op de markt

 In de zevende bundel met ideën van Multatuli verkent Wouter Pieterse - nu wat ouder - de rommelmarkt in de Jodenhoek. Waar de kooplui hun waar uitspreiden, 'met de bemodderde straatkeien als toonbank en uitstalkast.' De handelaar had de naam aangenomen van waar hij in handelde: 'heette Oud-roest, kan 't nederiger?'

 'Daar lagen alzoo doorluchtige kachels, halve kachels fragmenten van kachels. Daar lagen tweebeenige treeeften (...) . Daar lagen roosters zonder spylen, moeren zonder kroost, schroeven zonder moer... Niobees en weezen.. Daar lagen eenzame pooten van tan, en lemmetten van scharen, wreed gescheiden van hun tweelingen. Daar lagen onthoofde spijkers, tandelooze zagen, beitels zonder snee, sloten zonder veer, sleutels zonder slot, haken zonder oog, oogen zonder haak, gespen zonder tong. Daar lagen scharnieren, hoepels, stiften, krammen, ringen, deurkrukken, spanjoletten, grendels, sabels, bajonetten, bylen, hamers, vuurpoken, kolenscheppers, potten, pannen, ketels, deksels. Daar lag alles wat ooit van yzer had kunnen vervaardigd zijn maar onbruikbaar nu, verdraaid, gebersten, gespleten, verwrongen, inkompleet, en vooral: verroest.'

 En zo gaat hij de markt rond.

  'Ginds stond 'n kruiwagen volgeladen met potjes pomade en latynse dissertatieën, met almanakken en silhouetten van verloren jaren en dominees.'

Tags: