Kassei

 De ere‑kassei is uitgereikt op het wielerbaantje van Roubaix. De mooiste prijs die er bestaat in het wielrennen: een heel grote steen. Aan de 36-jarige Philippe Gilbert uit Verviers, die als een vol­leerd baansprinter, na 270 kilometer kasseien, met wachten en kijken de Keulenaar Nils Politt aftroefde.

 Ach dat wielerbaantje. In een rare buitenwijk tussen versle­ten flatjes. En zo op z'n plaats na 270 kilometers Noord‑Franse bakstenen huizen. De bakstenen waar Agnes Varda ook zo van hield.  Met af toe een ornamentiek van geglazuurde randjes of andere baksteen ver­siering. In Verviers is het net zo, ik ken het.  

 Hier moest een 'Franstalige' winnen. En niet Tiesj Benoot, Van Avermaet, Lampaert of Sepp van Marcke. Terwijl het wereldwonder Sagan langzaam inzakte.

 Het mooie van Parijs-Roubaix is dat heel de wedstrijd gaat over plaveisel. De vele 'kassei‑stroken', die omzoomd zijn met platgefietste paadjes, waarachter het gras begint. Maar o wee, daar staan al toeschouwers. Je ziet de schoenneuzen teruggetrokken worden als de renners komen.

 En de coureurs moeten steeds maar vliegensvlug kiezen of ze een stukje hotsen midden over de stenen zullen kiezen of het paadje, waar ook blubber kan liggen, of anders een stukje grasberm meepikken. Elke centimeter telt. Het regent valpartijen en lekke banden. Nooit is een renner voortdurend zo dicht bij de grond.