Onder water

 Dat Willem Brakman bang was voor wat er onder het wateroppervlak leeft ontdekte ik tijdens een roeitochtje over de Scheveningse 'Waterpartij'. Hij was daar als jongen vaak heen gelopen - op weg naar de tennismeisjes op De Bataaf - en wist er alles van.

 Aan de 'Waterpartij' ligt nu het Indische oorlogsmonument, waar eens per jaar de slachtoffers van onze koloniale aanwezigheid herdacht worden. Het hele jaar door liggen er verse bloemen. Een ziekenhuis employé vertelde me dat er een afspraak was met de Haagse ziekenhuizen om de overgeschoten bloemen van het ziekenbezoek daarheen te brengen.

 Willem, opgegroeid in Duindorp, vlak aan zee, legde me uit dat hij nooit verder dan zijn kuiten in zee had gedurfd. Uit angst voor wat er onder de waterspiegel leefde. Zeedieren met scherpe tandjes die het op de geslachtsdelen van argeloze zwemmers hadden voorzien.

 Ik roeide voort over de waterpartij, terwijl hij uitlegde dat het daar zeer diep was door de zandwinning voor het ophogen van de veengrond in de grote stadsdelen waar gebouwd moest worden.

 Zand is geld, veen is minder soort. De scheidslijn die de stad langs de Laan van Meerdervoort in tweeën deelt. Zo zit het in Den Haag. En zo was ik niet verbaasd toen buurtgenoot Wim de Bie me belde terwijl hij bezig was zijn ouderlijkhuis te ontruimen. 'Ik was hier in de kruipruimte en je raadt nooit wat ik daar vind: zand.' Tja, onze buurt grensde aan de tuinderijen van het Westland, je zou hier veen verwachten. Zand was meteen een stuk chiquer. Maar ik moest hem teleurstellen: 'Dat zand is er op gebracht voor ze gingen bouwen', wist ik van Brakman.

Brakman en Vestdijk (2)

 Depressies en angstaanvallen waren toen ik er mee kennismaakte raadselkwalen waarover fluisterend werd gesproken. Er waren goeroes als Laing, Foudraine, jawel wie is van hout ligt nog wel eens op Koningsdag. Valium zag ik komen, zepinen in vele varianten, prozac en godweet wat nog meer. De ontdekking van de hyperventilatie.

 Wat helpt voor wie? Wat werkt averechts? In de brieven van Brakman en Vestdijk, allebei arts en bevoorrecht in contacten met de farmaceutische en medische stand vind je dat in het duister tasten terug. Wat Willem aan middelen voor zijn vriend Simon opsnorde staat er haarfijn in, dosering en al. Hij vond de medicatie die Vestijk goed bekwam. Hij kon weer schrijven. Er kwam een vriendschap uit voort. En unieke, nu gebundelde brieven. Deze is van Brakman, 9-10-'64:

 'Beste Simon

 Hartelijk dank voor je brief die me oa. vertelde dat je de vakantie weer hebt overleefd. Mijn pessimisme hier wordt mij ingegeven door mijn ervaring die mij heeft geleerd dat juist in de vakantie bijzonder veel mensen ziek worden, blijkbaar valt de vakantie van vira, bacterieen coccen en allerlei virulente sapjes niet in dezelde tijd, wat dan weer een nadeel is van de vakantiespreiding.' (...) Waarna de brief heel Brakmanniaans verspringt naar muziekmaken en als dat te tijdrovend is de aanschaf van een geluidsinstallatie. Dan volgt: 'Aan lawaai heb ik altijd een bijzondere hekel gehad, dat wijst op muzikaliteit, Chopin kon niet tegen het verschuiven van een herfstig blad over de stenen (wat een luxe om zo ' afwijking te kunnen hebben), zijn oog was minder gevoelig, want mooi was ze niet, onze George [Sand, WN]. Toen ik in dienst trad bij bij de verenigde textielbedrijven en mij aan de hand van mijn chef voor ging stellen aan allerlei bazen en chefs in die daverende en donderende fabrieken had ik het genoegen al handenschuddend op het gebrul van zo'n chef die al lachend zijn naam schreeuwde, keihard terug te schreeuwen 'klootzak.. boerenlul...'. (...) 

Brakmans oorlog

 Brandstof en voedsel, daar ging de oorlog in Nederland over. In De Parelduiker geeft Nico Keuning een voorproef van de Willem Brakman-b­iograf­ie waar hij aan werkt. Over diens enige oorlogsroman 'Debielen en demonen'.

 Geen spanning, sensatie of heldendom maar kou. Zijn vader sleept uit de wijde omgeving brandhout aan naar de Haagse Elsstraat, zijn moeder gaat op voedseltocht. De op een vals persoonsbewijs ondergedoken Willem studeert voor dokter in de laatste oorlogswinter. 'De kou slaat van elke bladzijde,' schijft Keuning. En in het boek staat: 'Wie koud leeft, leeft lang, maar voor het leren was de kou niet bevorderlijk. Zolang het maar bij handen en voeten bleef ging het nog wel, maar wanneer hij zich eenmaal in de buurt van mijn maag had genesteld dan werd ik slaperig en suf. Vaak dommelde ik dan boven mijn boeken in om weer wakker te schrikken in een doodstille wereld, verstijfd, versteend en met hoofdpijn.'

 Willem moest en zou dokter worden. Vooral zijn moeder, de verpleegster, had er alles voor over.

 ' Ergens was de oorlog, hij was niet te zien maar men sprak erover, de echte oorlog van staal op staal en waarbij bloed in de aarde sijpelde. Miljoenen soldaten vochten, maar er was er niet een te zien en er was niets van te horen.' 

 Hij heeft erotische fantasieën over een zwakzinnig meisje in de straat: 'In het hoofd van debiele mensen, las ik, is iets helemaal mis, de hersenvliezen zijn te droog, de hersenkanaaltjes veel te nauw. Van binnen ziet hun hoofd eruit als een vermolmde okkernoot, alles bruin en zacht en als ze denken doet dat pijn.' 

Tags: 

Brakmans droom

 Met vriend Willem Brakman sprak ik ook over religie. Gelovig waren we geen van beiden. Wel deelden we een gevoel voor het onverklaarbare.

 'Ik droomde,' zei Willem, 'dat ik wakker werd in een prachtige, zondoorschenen kamer, met los waaiende gordijnen. Ik stond op, liep naar het raam en zag dat mijn kamer op de eerste etage lag van een groot landhuis met een Frans aangelegde tuin. Op mijn nachtkastje stond een ontbijt gereed, met een kan verse koffie. Maar binnen noch buiten was een iemand te zien.

 Graag zou ik iemand bedanken voor deze schitterende ontvangst, dus ging ik de gang op in mijn kamerjas, en liep de gangen door. Maar nergens was een levende ziel te bekennen. Toen werd ik wakker.'

 Volgens Willem was dit een religieuze droom. Hij zocht iets of iemand om te bedanken. Gewoonlijk vragen mensen goden om gunsten. Hij niet, hij wilde alleen iemand bedanken. Maar wist niet wie.

 Zijn verhaal zette zich in me voort. Zodat ik het landgoed in Leuven plaatste en inkleurde met gele kiezelpaden en plavuizen in rood en zwart. 

Tags: 

Brakman en het vorstelijke

 Bij de begrafenis van Helga Ruebsamen dook een brief op waarin ze zoon Steven vertelt van haar ontmoeting met zijn vader Willem Brakman in de Haagse Paleistuin in 2004. Op weg naar de toekenning door Hare Majesteit van een prijs aan Hella Haasse  Een brief die herinnert aan wat beschreven staat in Brakmans ‘Van de in hogere kringen verliefde’ (1990).

 Namelijk de dwaaltocht  als hij over het hek klimt bij  De Ruyghe Hoeck, de koninklijke villa in de duinen, vlak achter waar Helga woonde, bij het Zwarte Pad.  Daar ontdekt hij voetsporen. Op de villa staat de koninklijke standaard, die aangeeft dat Hare Majesteit thuis is, zoals koninklijke vaantjes op een hofauto zeggen dat de majesteit er in zit. Dan vindt hij sporen in het duin van een groep.

 ‘Spoedig zag ik tekenen dat ik op het onvoorstelbare mocht hopen: een stuk banaan, de zo decoratieve sinaasappelschil, een zakdoekje met lipstick. Terwijl ik deze relikwieën met uiterste reverentie inzamelde hoorde ik nu ook gestamp en een rukken en kraken in de struiken maar daarbij, en daarin vergis ik mij niet, een warm, van binnen rozerood en innig snuiven. Opeens zag ik haar en het was of alle geluiden zich tot het uiterste op mij stortten: vogels gilden het uit, bijen en vette strontvliegen huilden en jankten als wedstrijdmotoren en vlinders klapwiekten voorbij met vorstelijke pluim die zachtkens wuifde in de zomerwind, in de duinen, aan zee…. Het afschuwlijke geluid van kranten die alsmaar worden opengevouwen.’

 ‘Onhoudbaar majesteitelijk stond zij daar, nog wel met de rug, breed en stevig als een ton, naar mij toegekeerd, maar daarna was het zich naar mij toewenden als de zuivere genade zelf. Machtig was de trom van haar buik, naar onder toe verglijdend naar zachtroze en eindigend in een waarlijk vorstelijke pluim die zachtkens wuifde in de zomerwind, in de duinen, aan zee…’. (…)

 ‘Er was iets met mijn adem, herinner ik mij nog, die stokte of hield er helemaal mee op. Nog kon ik een laatste rest onderbrengen in een agonaal "leve de koningin hoezee", daarna verloor ik het bewustzijn.'

Van de in hogere kringen verliefde  keert terug in een  niet eerder gepubliceerde lezing over 'De romantische obsessie',  die Brakman hield in De Balie in Amsterdam 1 oktober 1989, aldus de nieuwe Brakman-biograaf Nico Keuning. 

Ten paleize

 Maar wat gebeurde er nu verder in de duistere Paleistuin op die avond van de 17de november 2004, vandaag precies twaalf jaar geleden? Koningin Beatrix zou Hella Haasse de Prijs der Nederlandse Letterkunde uitreiken. En haar genodigden de hand schudden, waaronder Helga Ruebsamen en Willem Brakman.

 Helga had kennelijk haar autootje aan de Hogewal geparkeerd en was net als Willem de Paleistuin in gelopen, op zoek naar een ingang. Waarbij Willem bemodderd raakte. Het regende. Maar daar was ten paleize op gerekend, met blazers en schuiers werden de verregende gasten door lakeien gefatsoeneerd voor ze de koningin onder ogen kwamen, vertelde Willem later. Maar waarom gingen Helga en Willem niet naar de voorkant, het Noordeinde?

 Het werd niet opgehelderd door Helga Ruebsamen in haar brief aan zoon Steven Brakman, gisteren te lezen in Avondlog.

 Wat daaraan vooraf­ging, zegt Steven, was dit: 'Ik herin­nerde haar eraan dat mijn vader verdwaald was in Den Haag op weg naar het paleis en er plotseling uit het duister een stem opklonk.'

 Die van Helga Ruebsamen dus. En hij voegt toe: "Het ging nog verder. Hij had er op een bepaald moment genoeg van, die receptie, wilde er on­gezien tus­senuit knijpen en verdwaalde opnieuw, maar nu in het paleis. Daar kwam hij Beatrix tegen en een hofdame; 'waar is de uitgang' vroeg hij."

 Beatrix stond daar na het geven van vele handen haar eigen handen te ontsmetten. Hij heeft toen iets gezegd in de trant van 'heel verstandig, ik ben arts en kan het weten.'

 Een zekere teleurstelling toch, na zijn bezoek aan de Belgische grafkelder met zijn aanbeden Astrid in Brussel. 

 ps. Brakmans meest 'koninklijke roman' is het meesterlijke 'Van de in hogere kringen verliefde' (1990) 

In de Paleistuin

 Steven Brakman stuurde me deze brief over zijn vader Willem, gekregen van Helga Ruebsamen. Over hun nachtelijkse dwaaltocht in Den Haag, op weg naar het paleis, waar ze de koningin een hand mochten geven. Helga's brief is van 22 december 2011:

 'Zonder mij nu daarvoor op de borst te willen kloppen mag ik zeggen, dat er nog maar weinig Hagenaars zijn, zo goed thuis in de Paleistuin als ik, die er jarenlang naast heeft gewoond en die er met hond en kat elk hoekje, gaatje en grasje van heeft verkend. Toen was het nog niet de Paleistuin van nu, beslist niet. Het was een verwaarloosd, achterop geraakt binnenstadspark, waarin vooral nachtbrakers en zwervers hun heil zochten. Tegenwoordig kom je er niet meer in zonder legitimatie, stempel van de burgemeester, koninklijk bevel of verzoek.'

 'De plattegrond is echter niet gewijzigd en Uw vader was terecht gekomen ‑ hoe hij dit voor elkaar heeft gekregen begrijp ik nog niet ‑ in een onoverzichtelijk en duister gebied, dat nog steeds slecht bekend staat en dat ongaarne iets prijs geeft wat zich erin heeft gewaagd. Niet voor niets is het ten dele afgeschermd door Spaanse ruiters, of hoe heten die akelige metalen obstakels. Uw vader stond daar pal voor, met een kapotte paraplu te vechten tegen het noodweer en ongeziene dreigingen. Ik zag hem op de rug, herkende hem niet en geloofde mijn ogen ook niet. Ik verzeker U, ik ben hier niet aan het romantiseren. Pas toen hij zich ‑ op mijn dringend roepen ‑ omdraaide, zag ik Willem Brakman!'

 'Hij was heel blij, maar ik niet minder, al kregen we toen nog de fase dat hij zo, met bemodderde broekspijpen en kluiten aan de schoenen, de Koningin niet onder ogen wilde komen. Dat werd het volgende, veel vrolijker bedrijf. (...) In het boek heeft de gebeurtenis een bijna doorschijnende, sprookjesachtige vorm gekregen...'.

 Brakman, Ruebsamen, Hagenaars die elkaar kenden. Ze was op zijn begrafenis. Door toedoen van Hella Haasse was Willem uitgenodigd ten paleize. Heel wat, hij was koninginnomaan, van Wilhelmina tot Astrid. Later meer over de dwaaltocht.

De biograaf

 Was al de titel van een roman van Willem Brakman (1922-2008). En nu komt er dan een echte biografie, van Nico Keuning. Dat na de lange jaren dat de beoogde biograaf Gerrit Jan Kleinrensink met de schrijver optrok tot hij in 2014 stierf.

 Wonderlijk duo. Brakmans biografie schrijven terwijl hij nog leefde was ook eigenlijk onmogelijk. Immers wat Willem deed was zijn eigen geschiedenis (her)schrijven. In telkens nieuwe gedaanten. Zoals zijn voorbeeld Proust het had gedaan. Dan zou je dus als biograaf moeten nagaan wat er in werkelijkheid in Den Haag en Duindorp gebeurde en hoe Brakman daar zijn verhalen uit maakte. Er de wereldliteratuur en zijn gedachtenvluchten in verwerkte. En dat terwijl hij op je vingers keek?

 Wilde hij bijvoorbeeld  als Don Quichote over de Ieplaan rijden - zoals in Een voortreffelijke ridder - en zijn paard aan een lantaarnpaal vastmaken om naar het café te gaan, waarop de politie optrad, dan deed hij dat.

 'Wat moet dat met dat paard, heeft u een vergunning?'

 Kortom Nico Keuning krijgt het ook niet makkelijk.

 Ik deed al wat vooronderzoek naar de duintop in de Bosjes van Poot, tegenover de ouderlijke woning aan de Bevelandsestraat. Die top noemt Willem in vele boeken 'De Koepel'. Vandaar kijk je over Duindorp heen en ziet de zee.

 Ik vroeg hem tijdens een fietstocht hoezo? Hij wist het niet. Bij hem thuis heette dat zo. Nu was ik laatst in Panorama Mesdag en zie, op vele verre duintoppen zie je daar met een koepel overdekte zitjes. Zoeën moet er achter Duindorp ook geweest zijn.

 Sterker nog, het paviljoentje in Mesdag vanwaar je het panorama rondkijkt heeft precies de vorm van zo’n koepel. 

Na Therèse Cornips

 Therèse Cornips (1926-2016) is gestorven, ze gaf een generatie Proust te lezen. Want Frans kenden we nauwelijks. Deel na deel ging rond. Willem Brakman duwde me met m'n neus erop.

 Ik ging naar Cabourg, bij Proust het mythische Balbec en schreef Willem deze kaart. En vanuit Commercy noge­ens over de Madelein­e. De toevallig doorbre­ken­de herinnering, een kortsluiting tussen toen en nu.

 In Op zoek naar de verloren tijd zitten een stuk of tien van die momenten: het struikelen over de ronde keien op de binnenplaats van de Guermantes, de schimmelige lucht in een urinoir op de Champs Elyssees, de drie kerktorens bij Martinville en natuurlijk, het dopen van de Madele­ine in een kopje thee. Bijzaken die openbaringen worden.

 Moeilijk er het juiste woord voor te bedenken, schrijft Willem, maar ik heb een voorkeur voor het woord epifanie. Openbaringen zijn het. Voortkomend uit een willekeurige herinnering.

 Je moet maar durven, denk ik, zo'n grote aan­dacht vragen voor een zomerse logeer­partij van vroeger op het land, waarbij hij de gebruikelijke nachtzoen van zijn moeder door een late bezoeker is misgelopen en daar zo'n tachtig pagina's voor nodig heeft, of beter gezegd, zijn hele werk. Maar uit deze epifanie is alles ontstaan; de oorsprong van het plan zijn leven tot een kunstwerk te maken door het zich te herinneren, de samenhang ervan, de zin, de kiemcel van waaruit zich alles ontwikkelde.

 Dat is wat Proustiaan Willem Brakman me leerde.

De waterangst van Willem Brakman

 In april verschijnt een nummer van het ‘Haagse’ tijdschrift Extaze over water en zee. Ik schrijf over Willem Brakman, die doodsb­ang was voor water. Hij bekende het me toen we eens naar het Stille strand waren gefietst, achter Duindorp, waar hij opgroeide.

 'Er is geloof ik geen tweede Nederlander te vinden die zo bang is voor water als ik.'

 Door het duin en het mulle zand waren we gekomen op wat eens de vaste strandplek was van de familie Brakman: 'Ik liep graag en veel langs de vloedlijn. Maar ik was al bang in die tijd, dus ik ging niet verder dan mijn knieën.’

 ‘Die prachtige zomers. In tegenstelling daarmee was dat er nogal veel mensen verdronken. In mijn gedachten kan ik er zo vijf of zes tevoor­schijn halen. En dat ging altijd op de zelfde mani­er. De zee zag er kalmpjes uit, kleine golven, en dan ineens was het zover, dan zag het zwart van de mensen en waren er reddingspogin­gen. En die mislukten. En mijn vader dacht dat hij ons iets moest leren, na­melijk wees voorzichtig met het water. En duwde ons net zo lang tot we vooraan stonden en naar dat lijk konden zien. Hij nam ons bij de hand en liet ons een soort kroket zien die door het zand heen en weer werd gerold. Dat heette toen kunstma­tige ademhaling.'

 En hij voegde toe: 'Dat verdrinken, dan was er altijd dat merk­waa­rdige moment. Als de betreffende aan land was gesjord dan verand­erde de zee. Die kreeg een uitermate hypocriet uiter­lijk. Namelijk alsof er niets gebeurd was.’

 ‘Stel dat ik dat slachtoffer was geweest dan had iedereen aan de zee kunnen aflezen: "Willem Brakman? Ik weet niet waar jullie het over hebben. Nooit gezien."

Tags: 

Pagina's