Gevoel

 Mijn eerste operatie was op mijn elfde het 'knippen' van de amandelen in het Haagse kinderziekenhuis. D verdoving ging met lachgas. Er werd me een rubber masker opgezet met een ballon eraan, waarin ik moest in en uit ademen.

 'Als het klaar is krijg je een ijsje,' werd me verteld. 'Tel maar tot eenentwintig.' zei de dokter met het rubberen voorschoot, 'dat haal je nooit, dan ben je al weg'.

Koppig telde ik. Toen ik twintig bereikte zag ik in een rood waas twee mannen de operatiekamer binnenkomen die opgewekt pratend rubber handschoenen aantrokken.

Ik werd wakker met een moorddadige pijn in mijn keel. Het ijsje smaakte naar stookolie.

De ouders kwamen op bezoek. 'En hoe voel je je? vroeg mijn moeder bezorgd.

'Slecht,' zei ik.

 Mijn vader barstte in een daverend gelach uit.

 Ik dacht hieraan bij het lezen in 'Intimiteiten', van de Belgische psycholoog Paul Verhaege. Kinderen werden toen nog niet geacht gevoelens te hebben. Dat is nu omgekeerd, gevoel is heilig. Verhaege waarschuwt tegen 'het zoveel mogelijk gehoor geven aan onze gevoelens en ze als leidraad voor ons gedrag te gebruiken. Dergelijke aanmoedigingen berusten op een verkeerd idee, namelijk de overtuiging dat mijn gevoelens per definitie 'juist' en 'autentiek' zijn, en uitdrukking geven aan wat ik echt wil, wat ik zelf verlang, dat ze mij toegang verlenen tot wie ik echt ben.'

 Maar ze zijn manipuleerbaar, denk aan de inentingshysterie.