Vanmorgen zweefde ik tussen hemel en aarde tussen de gevels van mijn straat. Niet gevleugeld. Al keek een duif uit een vensterbank nieuwsgierig toe. Ik zag wat vogels zien, al gaan die veel vlugger.
Beneden op straat stond de brandweerwagen die me had getakeld. Hoeveel volwassen mannen er nodig zijn om een enkele lotgenoot te laten vliegen. Daar ging ii, door de blauwe lucht. Beneden stonden de ambulanciers bij wie ik zou landen. Weinig volk op straat. Hoe kwam ik hier, door een schuifraam waar de brancard net doorheen paste. En daarna moesten de robuuste mannen in hun zo mooie groen en geel me de trappen op duwen.
Mijn vriendin heeft verstand van mannen met een klus.
Wat was er gebeurd? Alle kracht was uit mijn ledematen weggevloeid. Ik kon niks meer, lag machteloos op de grond.
De bloeddruk, ja mannen, de bloeddruk. Ik schrijf weleens dat alle zorg bij vrouwen is gekomen. Behalve deze dus. Hoewel hier ook een vrouw tussen bewoog.
Je hebt vliegen en neerkomen.
Dalen is door je maag heen zakken, net was ik nog daar koven, nu in een ziekenhuisbed.
Vogels zijn hogere wezens.