Middeleeuwse tuinen

 In het Rijksmuseum van Oudheden gaat het over tuinen, 'Aardse paradijzen in oost en west (1200-1600)'. In het bijgaande boekje van Annemarieke Willemsen leer je al vlug de herkomst: de oase. En vandaar beland je in het Paradijs.

 Tuinieren is een goddelijke bezigheid, een stukje schepping verzorgen. De ommuurde tuin is binnen en buiten tegeli­jk. In meerdere zin. Je verzorgt en cultiveert ook jezelf. Denk aan Voltaires 'Il faut cultiver son jardin'. Moestuinen, kruidentuinen, wintertuinen. Wordt het buiten te koud dan zijn er altijd nog de wandtapijten vol mooie meiden, eenhoorns, planten en vogels.

Tuinen zijn lusthoven voor alle zintuigen, vogelzang, kab­belende beekjes, schaduw, zachte briesjes, wist Mattheus van Vendôme in 1175 al. Vooral in woestijnen, krijgt zo'n tuin betekenis. Groen is niet voor niets de heilige kleur van de Islam en komt in alle vlaggen voor.

In de fameuze Roman de la Rose uit 1230 wordt de dichter verliefd op een roos. Maar rozen bloeien uit. De Perzische dichter Saadi schreef in 1258: 'Wat zul je bloemen plukken voor je schaal?/ Mijn Rozentuin bevat ze allemaal!/ De rozen pronken maar vijf of zes dagen; de bloei van deze hof zal niet vervagen.'  

Onuitroeibaar. Schreef niet Joe South nog in 1968 'I never promised you a rose garden'.