Schrijvers en boeken kwamen al in mijn leven voor ik lezen kon. De eerste schrijver die ik in levenden lijve zag was een Zwitser. Ik was zeven. Het gezin mocht een week logeren in zijn historische chalet in het dorp Heiligenschwendi, hoog boven Thun.
Op de weg erheen werd mijn vader - de domme Hollander die niet van bergen wist - gecoacht door de schrijver, met veel 'Zurückschalten' en 'Auf dem Motor bremsen'. Vanuit het chalet zag je het Berner Oberland en de Thunersee.
Niet dat ik Heimann ooit heb zien schrijven. Zijn meesterwerk lag wel bij ons thuis op het dressoir en heette 'Mit dem Auto auf du'. Wat, werd me uitgelegd, betekende 'Met de auto op stap'. Luchtige taal voor een hoogst ernstige zaak. Er werd over weinig anders gesproken: de haarspeldbocht, de kokende motor, de grüne Versicherungskarte. ’s Avonds zong hij Zwitserse liederen en begeleidde zichzelf op de banjo.
De tweede schrijver die ik zag was de heer A. van Breda, vader van een schoolvriendje en auteur van 'Plezier met papier'. Waaruit je onder meer kon leren hoe een kraanvogel te vouwen. 'Als je aan z'n staart trekt bewegen zijn vleugels en zijn kop,' legde zoontje Michiel uit.
De heer Van Breda werkte achter glas-in-lood schuifdeuren en wij moesten stil zijn. Wat de schrijver daar deed en hoe er een gedrukt boek uit kon voortkomen bleef me een raadsel.