Trekker

 Het gezin reisde op een zondag naar Tholen, naar oom Kees en tante Mien. Die woonden op de eeuwenoude boerderij de Kettingshoeve, omdat hij aan het eind lag van de Kettingdijk, die daar doodloopt op de Oosterschelde.

 Het was warm, oom en tante zaten in het prieel en verveelden zich. Oom Kees, de dijkgraaf, wees in de verte over de Schakerlose polder en zei 'Da's allemaal van mie'.

 Dan naar het water. Eerst keek ik vanaf het betonnen muurtje op de dijk uit over de Oosterschelde. En kreeg uitgelegd dat daar Reimerswaal gelegen had. Dat er soms nog knekels van het kerkhof gevonden werden. De bakstenen waren met platte schuiten afgevoerd en in de buurt weer gebruikt.  

 Met Maris, de meesterknecht kwam ik we bij de oude tractor, de 'trekker'. Of ik erop wilde rijden? Er werd toch gier uitgereden, De aanhanger stond nog aangekoppeld. Ik was twaalf en wist van niks, maar eenmaal op het ijzeren zadel was ik mijn nieuwe zondagse terlenka broek en mijn colbert van Peek en Cloppenburg vergeten en kende nog maar drie versnellingen. Keek ik achterom dan zag ik het brede spoor van pis dat ik achterliet.

 'Beetje netjes verspreiden,' zei Maris.

 Toen het werk gedaan was kwam mijn moeder kijken. Van schrik kon ze alleen 'helemaal bedorven' uitbrengen.

 Later vond ik het boek 'De ondergang van Reimerswaal' van J. Stamperius, waarin feestende edelen verzuimen de dijken te versterken.