Wat geloof is leerde ik al jong. Niet op de zondagsschool, waar het viltbord weinig overtuigde omdat de versleten figuren steeds weer van het bord op de grond vielen: Jezus, de karavaan in de woestijn, de stad in de verte, de vrouwen met kruiken op het hoofd, ze gleden allemaal, stuk voor stuk naar beneden en op de grond. Daar lag mijn Jezus. In een Jezus die niet blijft plakken kun je moeilijk geloven.
In Sinterklaas heb ik werkelijk geloofd, de intocht met het bootje aan de Zutphense Ijssel, de paarden, het fluweel, ze waren onmiskenbaar echt.
Het waren de ongelovigen die mij aan het wankelen brachten. Op straat zongen ze heidense liedjes als Sinterklaas is jarig, zet hem op de pot, o wat zal ie stinken, doe de deur op slot. Ik had aanvechtingen die jongens te lijf te gaan. De kruistochten en de Inquisitie leefden in me op. Onmogelijk dat er geen bliksemende banvloeken op ze neerdaalden.
Maar het was juffrouw Annie van Bochove van het postagentschap bij de drogisterij die mijn geloof voorgoed deed tuimelen. Er kwam achter het Sinterklaaspaard een open autootje met een keurig in het pak gestoken Zwarte Piet. Maar onder de fluwelen baret herkende ik duidelijk het zwartgemaakte gezicht van juffrouw Annie van Bochove. Dat was het einde. Kinderen voor de gek houden? Vergeet het.
Wat geloof is weet ik sindsdien. Een ware gelovige is tot moord en doodslag, tot alles in staat. In een tram in Utrecht of waar ook.