Het klompje

 Het was koud. De leerlingen van alle zondagsscholen in de stad Zutphen dromden op Eerste Kerstdag 1948 samen voor de Walburgkerk. De grote kerkdeuren stonden open, waardoor je naar binen kon kijken in wat altijd gesloten bleef. Een donkere grot, alleen verlicht door een paar heel grote kaarsen. Het orgel speelde en de klasjes schuifelden stil naar hun aangewezen plaatsen.

 Ik kwam terecht op een hoge rieten stoel met een vreemde houten rugleuning waar mijn voeten de grond niet konden raken.

 Waar de dienst over ging is mij, zoals ook later bij alle kerkdie­nsten ontgaan. De preekstoel, het orgel, de doop­vont die mijn moeder aanwees: 'Kijk hier ben jij nou gedoopt'. Het waren onbegrijpelijke attributen in een oneindig lange procedure. Er werd gezongen door een koortje - niet door de kinderen. Het gezang verklonk in de torenhoge ruimte. 

 Toen we tenslotte werden losgelaten kreeg ieder kind een rood netje met daarin een mandarijn en een boekje, dat ik nog heb: 'Het klompje dat op het water dreef' van W.G. van de Hulst.

 Thuis probeerde ik het te lezen, hopend dat in het boekje de inhoud van de kerkdienst werd geopenbaard. Maar ik kon nog niet lezen. Het omslag was een tekening van een enkel klompje dat op het water dreef. Heel alleen. Waar het andere klompje gebleven was vertelde het plaatje niet. Zodat ik raadde dat het jongetje van wie ze waren wel verdronken moest zijn.

 Zou dat het verhaal van de Kerst zijn? Een verdronken jongetje? Het moest wel.