Een klein jaar na de Watersnood van 1953 logeerde ik bij Oom Sjaak in Nieuwerkerk, vlakbij het fameuze gat van Ouwerkerk, dat toen met caissons gedicht werd. De benedenverdieping van de boerderij was nieuwbouw geworden, ik sliep op de behouden gebleven oude zolder. De omgeving was een doodstil maanlandschap van grijsgroen slik. Er stonden nog wat goederenwagonnetjes van de RTM, begroeid met mosselen. Ad Zuiderent vertaalde oa. dit gedicht van de Engelse 'topomaan' Christopher Levenson, die er in dat jaar ook was en hielp met ruimen:
'Toen wij eenmaal langs de kalme, nevelige zee liepen,
geen ster aan de hemel te zien, en enkel de dijk van de zee
scheidde van het verwoeste land, drong van over het water
geen geluid tot ons door, zagen wij van waar het dorp achter ons
in allerijl was vastgesjord met touwen van wind
geen lampen branden. In plaats daarvan namen wij, alsof wij al
verdronken waren en onder het natte grijs
door ruige zeeën van licht slingerden, onze plaats in,
bewaakten wij zonder schaduw, zonder macht het lege land.
Waken, meer kunnen wij niet doen. Eén rij lichten
houdt het oprukkende duister tegen, een kraan zwaait heen en weer op zijn rails. Hoe lang geven ankers houvast
en biedt ijzeren vlechtwerk haven en dijk bescherming
onder dit tijdelijk bewind? Hoor, stortbuien ritselen
als een ruziënd stel ratten door de strobalen,
stellen onze onzekerheid op de proef.
Eén rij lichten zwaait de scepter
over het wereldrijk van de storm, slechts vijf onbemande barricaden
houden de nacht op afstand.