Wat ik zocht wist ik heel goed. Omschrijf het als een belevenis die me mezelf deed vergeten. Zoals bij het, na 40 jaar weer ruiken van de vreemde verflucht die in het schuurtje van mijn grootvader hing. Eén en al herkenning werd ik, zeg gerust volledigmaking. Het even helemaal verdwijnen in een stuk muziek.
Binnenshuis vond ik het niet. Ik ken de schuldigen: het boek, de grammofoon, de film, die me geleerd hebben dat alles over kan. Echt lezen, kijken en luisteren hoeft niet meer, zeggen de boeken, platen en films om me heen, wij lopen niet weg, het kan later altijd nog.
Maar later betekent nooit. Ja, ook lezen is eigenlijk heel verkeerd, zei Schopenhauer al. Mensen zouden zelf moeten denken, ervaren.
Maar, vrees ik, de uitvinding van de beeld- en geluidsdragers heeft veel momenten voor altijd uitgesteld. De wetenschap dat iets wordt vastgelegd voor later verandert het kijken en luisteren in het nu. Echt opletten hoeft niet meer, er komt immers altijd een herkansing. Is dat zo?
Vergeet het, ieder later kent weer en nieuw later. Later betekent nooit.
Moment komt van movimentum, omslagpunt, beslissend ogenblik. Waar is het? Ik moet er achteraan, zonder videorecorder. Het beste zou zijn een bootreis van 6 weken om mijn tante in Nieuw Zeeland nogeens te zien. En dan zou ze net overleden moeten zijn.
En nu weet ik het: Martien van Halst raasde op een kleine helse machine rond de Eerbeekse vijver, met oorverdovend geknetter. Martien vloog rond de vijver. En het dorp liep uit.
Het ding had een naam, 'een plof'. Zo heette daar de eerste bromfiets: het Berini-eitje. Ik bleef het volgen op z'n rondjes, beseffend 'dit is het dus, en ik zie en hoor het.’