In 1824 reed Heinrich Heine Italië binnen, over de Brenner, en kwam in Trento, waar ik kortgeleden ook was. Half Tirols, met veel gekleurd houtsnijwerk in de gevels en half Italiaans. Het is prachtig weer. De Dom is duistermooi. Ik lees de ''Reisebilder''.
'Toen ik het groenzijden gordijn dat de ingang van de Dom bedekte opzij schoof en het Godshuis betrad, werden mijn lijf en hart aangenaam verfrist door de lieflijke geur die daar rondging, en door het verzachtende magische licht dat door de bontgeschilderde ramen op de biddende bijeenkomst neerviel. Het waren meest vrouwen, in lange rijen, op lage gebedsbankjes. Ze baden alleen met zachte lipbewegingen en woven zich daarbij met grote groene waaiers koelte toe, zodat men niets hoorde dan een onophoudelijk heimelijk fluisteren en niets anders zag dan de beweging van de waaiers en het wuiven van de sluiers.
De krakende stappen van mijn laarzen stoorden menige mooie verzonkenheid en grote, katholieke ogen keken me aan, half nieuwsgierig, half toegenegen. En zouden me graag van advies willen dienen om me neer te zetten en ook een siësta van de ziel te houden.
Het plein, de kerk, het is alles wondermooi.