Net als in China bestonden homoseksuelen in Den Haag alleen in het verborgene. Mjn vader had een hekel aan ze. Een collega van hem, de leraar Engels van Randwijck voldeed aan alle cliche's. Hij droeg fluwelen kostuums en regisseerde het schooltoneel.
En bovenal, hij praatte 'aanstellerig' en werd door collega's, vooral mijn vader, nagedaan. Dit gebeurde in de ouderlijke erker, waar de leraren naschoolse borrels dronken en over collega's roddelden.
Van Randwijck leek me aardig, hij speelde toneel. Maar bij ons thuis kwam hij niet over de vloer.
Een ander geval was jeugdvriend oom Frans, een kandidaat-notaris de met mijn vader in 1940 bij het Regiment wielrijders had gezeten en almaar niet getrouwd raakte, waar veel grapjes over gemaakt werden. Hij staat op alle foto's, altijd gearmd met een 'overgeschoten' tante of collega. Goed gekleed, altijd. Mooie hoeden.
Tot mijn moeder me op een dag vertelde dat oom Frans haar in vertrouwen had genomen. Hij was homoseksueel en werd als notaris gechanteerd door 'een jongetje'. Ze had dit verhaal niet aan mijn vader durven vertellen, omdat, nu ja, ik begreep. 'Ja jongen, je vader'.