Wat voorafging

 Het is zaterdagavond in Den Haag, de stille stad. Een enkele late fietser, lijn twee. Uit een schoolgebouw klinkt muziek. De klapramen van de gymzaal staan open. Binnen loopt men rond met flesjes cola in de hand. Insiders weten dat die cola bij sommigen voor meer dan de helft uit jonge jenever bestaat. Zo drink je onder de ogen van een rector.

Op Dixieland heb ik leren drinken. Tot de zoute pinda's als hagelstenen uit mijn neusgaten de wasbak in spoten. Ik vond 'De walging' een aantrekkelijke titel want dansen kon ik niet. Dixieland had de juiste graad van wanhoop en ranzigheid. Voor Den Haag 'beatstad' werd was het al hoofdstad van de Nederlandse Dixieland. Van Roefie Hueting en de Down Town Jazz Band tot Eric Krantz en de Dixieland Pipers (spreek uit 'piepers') en de Stork Town Dixie Kids van de gebroeders Katee allemaal kwamen ze uit Den Haag. Lees de werken van trombonist Frits Hotz. Dixieland verborg achter zijn uiterlijke vrolijkheid een diepe ernst. De ernst van zuiverheid in de leer van de Oude Stijl. De beste muziek was immers al lang geleden, in de jaren '20 en '30 gemaakt. Het ging om de puurheid van de navolging. Ik werd gelovig. Kocht epees bij het Gouden Grammofoonhuis en Radio Krenning, Caminada of Stuut en Bruin.

 In de gymnastiekzaal, onder de opgehesen ringen, stond ik geleund tegen het wandrek, 15 jaar oud, colaflesje in de hand, dronken te worden, naar de godinnen uit de vijfde en zesde klas te kijken. En deed of ik de muziek volgde. Er was een klarinettist met een onnavolgbare kuif, wiens naam door de stad ging. In later jaren zou hij sologitarist geweest zijn, een Nederlandse Clapton.

 Ik probeerde zijn samenspel met de trombonist en de trompet te volgen. Wie deed wat en waarom? Ze waren me steeds te vlug af. Toen kwam mijn kans. Ik kon de echte grootheden, de mannen van de Dutch Swing College Band gaan zien. Over wie verhalen gingen als 'ze drinken jenever uit waterglazen'. Zeker, er werd kwaad van ze gesproken, een oude stijl-orkest dat 'Marina' van Rocco Granata op het repertoire nam, dat was te erg. Nee, dan Chris Barber, die was zuiver op de graad. 

 De kans kwam op een zondagavond, zomer 1958. Gratis concert in het openluchttheater van het Zuiderpark. Grijze lucht. Onrustig, Boekhorststraat-achtig publiek, vetkuiven, suikerspinnen. Er werd gefloten. Beweging achter het podium. De hoge lampen van het openluchttheater floepten aan en de band kwam op. Het witte jasje van leider Joop Schr­ier lichtte op. Waarom dragen pianisten witte jasjes? Meteen vlogen er colaflesjes door de lucht. Er doofde een lamp.

En Schrier? Wat deed Joop Schier? Met de angst van de oudere leraar in z'n stem begon hij de band voor te stellen: Het gefluit zwol aan. 'Jongelui, mag ik jullie aandacht...'. Joop Schrier meende in ernst dat van dit publiek iets als aandacht voor hem te verwachten viel. '... jullie aandacht.'

'Ouwe lul.' 

'...voor 'You do'n know how much you can suffer'.

De set werd voortijdig beëindigd.