Nu ik eenmaal het straatje ben ingelopen komen plaatjes op me af. De straat was vol geboortegolf-kinderen. Oorlogskinderen als ik keken daar op neer. Drie of meer per gezin. De katholieken en gereformeerden voorop bij de zondagse kerkgang.
Mijn broer was een waaghals. Wagen een sport. Voor een publiek van in de straat met open mond omhoog starende kinderen liep hij als een acrobaat over de nok van ons dak van de ene schoorsteen naar de andere. Nergens ouders in zicht.
Hans was tegendraads, dammen wilde hij alleen 'om het verlies', wie er het eerst al zijn stenen kwijt was had gewonnen. De kinderschaar klom overal op. Vooral de muurtjes aan het straateind waar de doelen van onze clubs op waren getekend. Geen tuin was veilig voor ze. Een hordenloop maken achter een heel huizenblok langs was het ideaal. Steeds over de scheidingshekjes heen springend, terwijl achter je de keukendeuren open vlogen met stemmen van woedende huisvrouwen.
Tenslotte lieten de eigenaren van de muurtjes er overal rijen glasscherven op metselen.