Colettes vakantie

 In een tijd van 'vakantie vieren' kijk ik met Colette terug naar haar jaarlijkse vlucht uit Parijs. Als een kind weet ze precies de plek waar het fenomeen vakantie begint: 'Het is een plek die ik niet zou kunnen beschrijven, maar die ik herken aan de geur. Het is ergens op de weg van Fontainebleau, zo'n vijf­tig kilometer - een uur van Parijs als je tegen halfvier 's ochtends de kurkdroge stad achter je laat, met zijn anorganische warmte, zijn bijna onwerkelijke katten en zijn ommuurde erfjes waar nooit loof ritselt.'

 'Juli is een maand die Parijs lijkt te ontmoedigen. Ons vertrek midden in de nacht, onze rit door de stad stoort niemand, we komen alleen een paar andere vluchtenden tegen. Een groot café in Montparnasse gloeit nog na. Als we de smidse gepas­seerd zijn, overheerst het blauw van de nacht, want het is pas halfdrie. Gevelde slapers, slapelozen die hun laken wegtrappen dromen jullie niet dat achter de Porte d'Italie het klimaat van dauwige weiden begint? Maar ineens bereiken we het punt waar ik het over had, een nieuwe atmosfeer gooit ons een fris net van druppeltjes in het gezicht: dit is het contact met de hemelse vochtigheid, het binnengaan van de luchtbel die subtiel is doordrenkt met een plantaardige nevel. Vanaf dit heerijke punt proef ik mijn vakantie ten volle. Vanaf nu zijn de uren rekbaar en zijn grillen van eten en slaap toegestaan. Ik maak korte metten met alle striktheid, stiptheid en treurnis die me bij mijn werk hielden. De dag breekt aan in de omgeving van Saulieu, en de kat herkent Saulieu voor de dertiende keer in dertien jaar.'

 Uit: 'De eerste keer dat ik mijn hoed verloor', gekozen en vertaald door Kiki Coumans.