Hooguit drie jaar oud zat ik te spelen op het tapijt in de Zutphense erker. Een tapijt rijk aan patronen, waar je van alles in kon zien. Vooral wegen en tuinen in ongekende kleuren. Buiten op straat waren de jongens van de overkant aan het voetballen.
Plotseling lag ernaast mij op het tapijt een grote voetbal, temidden van een menigte glasscherven. Verrast strekt ik mijn handjes uit naar dit hemels geschenk. Door de kapotte spiegelruit kwam een windvlaag de kamer binnen en vele stemmen. Wat daarna gebeurde, en de volgorde daarvan, kan ik nu pas reconstrueren.
Mijn vader, die de krant had zitten lezen, vloog overeind en stoof woedend naar buiten, roepend 'dat gaat ze geld kosten.' Dat hij een hekel had aan wat hij 'foebele' noemde wist ik.
Mijn moeder inspecteerde mij - mij mankeerde niks - en kwam daarna met veger en blik.
De bal verdween. Pas vele jaren later kreeg ik er zelf een, met een veter - van mijn moeder. Nog ruik ik het verse leer van het 'drietje', dat naast mij op het kussen lag voor ik erbij insliep.