De pest in Venetië.

 In 1510 bereikte de pest Venetië. Net als nu met Corona werd gewezen op de vele buitenlanders die de stad bezochten en de ratten in de lagune. Schilder Giorgione stierf eraan. Zijn schilderijen verkochten meteen goed. Net als die van Sebas­tiano del Piombo en Titiaan.

 Er is oorlog. Werkloze huursol­daten plunderden de Veneto. Boeren vluchtten naar de stad. Maar kunst was bij de rijken populair, die liet een welvarende wereld zien.

 Sebastiano vertrok naar Rome, waar hij met een groots banket werd ontvangen als opvolger van Giorgione. Zijn beschermheer was Antonio Chigi, voor wie ook oa. Raphael, Giulio Romano (die van de plafonds in het Palazzo Te in Mantova) werkten. In zijn villa - de latere Villa Farnesina - kwam Paus Julius II vaak l­angs.

 Hoe zou Sebastiano's werk - hij gebruikte olieverf - vallen in deze stad van fresco's, priesters en hoeren? Al spoedig noemde men het 'poëzie'. Dit was nieuw, juist in de tijd dat Petrarca's sonnetten over Laura verschenen.

 Da Vinci vertelt dat zijn klanten soms bestelde doeken terugstuurden met het verzoek bij heiligen de halo's weg te schilderen, zodat het Laura's konden lijken en je ze kon kussen zonder heiligschennis te bedrijven.

 Deze jonge vrouw uit 1512 streelt haar eigen bontkraag. Het landschapje uit het raam lijkt de Veneto wel. Getuige ook de mand met fruit en bloemen. Geen heilige, nee. En haar hand wijst op haar hart. Dit moet wel de onbereikbare Laura zijn.