Soep

 In Nietzsches Ecce Homo, waarin hij een finale oratio pro domo schrijft onder koppen als 'Waarom ik zo knap ben' pakt hij ook uit over het verband tussen eten en denken. Vooral de Duitse keuken moet het ontgelden. En daarmee 'de volmaakte waar­deloosheid van onze Duitse beschaving - 'haar idealisme'.

 '.. tot de jaren van mijn grootste rijpheid heb ik nooit anders dan slecht gegeten - met een moralistische uitdrukking 'onpersoonlijk', 'onzelfzuchtig', 'altruistisch', 'tot heil der koks en andere medechristenen'. Door toedoen van de Leipziger keuken bij voorbeeld heb ik ten tijde van mijn eerste studie van Schopenhauer (1865) mijn 'wil om te leven' in zeer ernstige mate de dampen van de negatie aangedaan. (...) Maar de Duitdse keuken in het algemeen  - wat heeft die niet allemaal op haar geweten! Soep voor het eten (wat nog in Venetiaanse kookboeken uit de 16de eeuw alla tedesca heette); de uitgekookte vleesssoorten, de vet en melig gemaakte groenten; het ontaarden va de meelspijs tot pressepapier!

(...) dan begrijp je ook de herkomst van de Duitse geest - geplaagde ingewanden... De Duitse geest is een indigestie, hij komt nergens mee in het reine.'

 En dan volgt nog een tirade tegen wijn: 'Ik geef de voorkeur aan plaatsen, waar overal gelegenheid bestaat om te putten uit stromende bronnen (Nice, Turijn, Sils); Ik heb een glaasje, dat loopt mij mij na als een hond.'

 Zelf doe ik het jeugdgedicht over de Suppen-Kaspar van Hoffmann (1865) erbij, die weigert zijn soep te eten en daaraan sterft: 'Der Kaspar, der war kerngesund,/ Ein dicker Bub und kugelrund,/ Er hatte Backen rot und frisch; / Die Suppe aß er hübsch bei Tisch./ Doch einmal fing er an zu schrein/ »Ich esse keine Suppe! Nein!/ Ich esse meine Suppe nicht!/ Nein, meine Suppe ess’ ich nicht!«

 Kaspar vermagert angstwekkend. Kijk maar.