In nummer 16 van tijdschrift terras, onder het thema 'Over de grens' schrijft Emily Hasler het gedicht 'De gebouwde omgeving'. Jeske van der Velden vertaalt: 'een barre en onbeheerde plaats' die de naam Botolph mag dragen.
Halverwege de zevende eeuw verzochteen Angelsakische monnik genaamd Botwulf de plaatselijke koning om een 'barre en onbeheerde plaats' waarop hij een klooster mocht bouwen, een van de eerste in Engeland. Hij kreeg toestemming om zich te vestigen in het drassige, onherbergzame kustgebied van Suffolk, bij Iken. Botwulf groeide uit tot Sint‑Botolph. Zijn klooster werd eind negende eeuw verwoest door de Vikingen en het kerkje op die plaats werd in 1968 getroffen door een grote brand.
'Er is op deze plek zo weinig als je je kan
voorstellen, dus doen dingen dienst als elkaar:
metaal wordt hout, hout
wordt bot; regen wordt drup -
in deze nu al berouwvolle wind,
zowel de zweep als het helende zout.
De lucht is de belangrijkste bouwstof
nodig voor de kerk en het beste
van de slopende brand. Deze roomwitte rots
een blindtracering van beestjes, eertijds van het land.
De moddersteen een maaswerk van luchtbellen
dat borrelt en spat, onbewogen als water,
dik en vast als de eerste laag pleister,
een dun vliesje dat droogt als het barst.’