Het zijn heenkomens, plaatsen waar al wat je vreesde uit je handen wordt genomen door mannen in overalls met toverwoorden. 'We zetten hem even op de brug'.
En daar gaat hij, omhoog in de ruimte met z'n slordig geschilderde muren. En je kijkt in z'n buik, terwijl de Italiaanse garagiste z'n diagnose begint. Daarbij woorden prevelend die je zo vlug niet kunt opzoeken.
We zijn in Pisa, maar niet dat van de bekende prentjes. Dit is een buitenwijk bij het voetbalstadion. De eigenaar heeft affiches van de oude stad aan de muren gehangen. En hij geniet van mijn opluchting als hij 'aha'-achtige geluiden maakt.
En? Hij gaat even bellen, de ijzeren trap op naar het kantoortje.
Het kan morgen klaar zijn.
De aanrijding verdwijnt in m'n geheugen. De carabinieri met hun opschrijfboekjes, het geluid van de banden van het passerende spitsuurverkeer dat eindeloos over gebroken koplampglas rijdt.
De garage als onderkomen, toevluchtsoord. Zonder auto is een Italiaan niemand. Een buitenlander al helemaal niet.