Nooit had ik haar (1929-1990) eerder ontmoet, hoewel we allebei voor Propria Cures hadden geschreven, waarvan zij de 'Godmother' was gebleven. Ze woonde op de Oudezijds Voorburgwal, waar ik een paar keer werd ontboden op een kopje thee.
Bijvoorbeeld toen ik een fanclub voor de Derde Wereldoorlog had opgericht. Wat echt niet kon.
Maar daar zat ze, in de wachtzaal van de Amsterdamse Gemeentegiro aan de Raadhuisstraat en schoof meteen aan. Ik had de langspeelplaat van Van Kooten en De Bie als Klisjeemannetjes bij me, waar ze nooit van had gehoord. Ik legde iets uit. Ze kon er wel om lachen. Een mooi meisje in een modisch nepleren donkerrood minirokje en een strepentruitje.
Later belde ze me toen haar neefje een cassette-uitgeverij wilde oprichten en of ik kon helpen. Dat lukte.
Nog weer later zaten we in haar bungalow aan de Polderweg bij het dierenasiel, waar ze heen moest omdat ze niet meer kon lopen met haar MS.
Haar relatie met Simon Carmiggelt bleef goed verborgen. Al woonde ze toen aan het Sarphatipark, vlak bij mij, waar haar invalidenkarretje vaak voor de deur stond.