Vis

 Toen W.G.Sebald als docent Duits in Norwich terecht was geko­men  wandelde hij veel door Kent, waar de kust precies ander­som ligt als de onze. Lees 'De ringen van Saturnus'. En hij vertelt over de vis en het vissen. In dat boek staat op pag. 71 de foto van de wonderbare visvangst in Lowestoft. Elk haringvrouwtjekon per keer 70.000 eitjes leggen, die als ze bleven leven de haringvloot zouden bedreigen. Ze lagen een paar voet diep op het strand. En nog wat: dode haring fosforiseert, geeft licht.

 Vissers tot de rand van hun kaplaarzen in een enorme berg haring. De haringstand is sinds de jaren '30 enorm achteruit gegaan. Sebald loopt langs de vloedlijn en ziet nog wel op regel­matige afstand vissers met hengels en transistorradio's. Veel vis is mis­vormd, genetisch aangetast. En dan de aan­g­espoelde rotzooi, resten van een duistere beschaving.

Meestal vangen ze nauwelijks meer iets. Alleen als er kabeljauw tegen de kust aan zwemt of zeldzame schol, brasem of kar­pers.

Ik denk intussen aan de plaat met Sea Shanties, zeemansliederen uit Hamburg, die mijn vader eens cadeau kreeg. Wat je je ook voorstelde bij de foto's, niet dat die mannen ooit zouden zingen.