Moezel

 Mijn eerste bergen waren die links en rechts van de Moezel. Die meteen de wens opriepen ze te beklimmen. Meteen. Hoe hoog ze ook waren, hoe ver hun toppen.

 In de Moezel het ik nog gekanood met tante Nel. In de tijd dat je ter hoogte van Winningen nog een afgedamd eiland had dat maakte dat de versmalde hoofdstroom extra hard ging. Iets meer stroomopwaarts in de rivier springen en je werd op grote snelheid stroomafwaarts gevoerd.

 Met om je heen aan beide rivieroevers een spoorlijn, waarlangs stoomlocs naar Trier of Koblenz reden. Nu is de rivier gekana­liseerd.

 De namen van mijn kaartje sjeesden voorbij: Cochem, Traben-Trarbach. Bernkastel-Kues. Weisswein en meer Weisswein. Niet voor mij, dat werd Traubensaft of Johannisbeerensüssmost.

 In ons hotel 'Zum Rebstock' was een 'Bundeskegelbahn' waar serieus gekegeld werd door mannen met witte broeken en petjes met insig­nes erop. Ik mocht kegeljongen zijn. de ballen die aangekomen waren in de hellende houten goot leggen vanwaar ze met donde­rend geraas terugrolden naar de werpplaats.

Geluiden die voortbestaan.