Vorig weekend was ik in Antwerpen, in Het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, waar men Jan Fabre heeft losgelaten op de hele collectie. Fabre verstaat zich met de klassieken. Ik vond hem tegenover Rogier van der Weydens 'Portret van een kamprechter' uit 1464.
Hij had een gelijkend wassen beeld van zichzelf oog in oog geplaatst met deze almachtige beoordelaar. Zijn neus in alle hevigheid tegen het glas gedrukt stond Fabre daar, met een bloedneus die maar bleef doordruppen en een plas bloed rond de blote voeten van een verder keurig gekleed zelfbeeld: 'Ik laat me leeglopen' (2006). Maar hoe ernstig, vroeg ik me af, is een bloedneus? Feit is, het parket van het Koninklijk Museum gaat zo wel naar de bliksem. En nu, thuis, bekijk ik het boekje dat ik kreeg met op het omslag een foto van de Fabre-pop. En zie opeens dat hij zich heeft verplaatst! Hij staat niet langer met zijn neus gedrukt tegen de Kamprechter, maar tegen een kleiner schilderijtje dat ernaast hangt. Welk? Dat kan ik niet zien. Zijn neus bloedt onverminderd. Of mischien beter, hij doet alsof.