Even uit de lucht. Hotelpersoneel in Berlijn wist geen raad met me.Niets erger dan een man met een apparaat dat niet werkt. Vraag het een vrouw.
Maar nu dan toch. Bij vriezend weer in een café zitten terwijl aan de overkant van de straat – ter hoogte van de tweede etage elke paar minuten een treintje vol passagiers voorbijgaat. Langzaam, het station is al in zicht. Zodat je de inzittenden op je gemak kunt waarnemen.Ze kijken niet op of om. Dit is een grote stad. De gedragscode in grote steden is ‘in stijl op weg naar de dood, zonder ophef’. Een bepaalde grootsteedse bleekheid hoort daarbij.
En de geur van een metro. In Nederland is geen grote stad.Intussen tast ik af wat onder bereik komt. Randjes sneeuw op het eindeloos gevarieerde en bijgelapte plaveisel, een bord eten, draadjesvlees, kartoffelklösse en rode kool, gemaakt door de moeder van een jongen die zo nodig een restaurantje moest beginnen, geglazuurde baksteenornamentiek. Bram de Swaan schreef voor ik wegging in NRC-Handesblad over de 'voorstadsmentaliteit' in Nederland. Maar hij vergat iets.