De heilige Damiaan, Jef de Veuster, stierf in 1889 en werd in 1936 herbegraven in Leuven, in de crypte van de Sint-Antoniuskapel. Ik was daar, aan zijn graf de dag voor z'n heiligverklaring, een forse platte steen, met een ornamentieke omlijsting van schelpen van Hawaï. Geen functionaris te zien. Een vriendelijke dame gaf uitleg met een groep belangstellenden. Ze zei dat ze het dwaas vond dat zoveel jaren melaatsen verplegen niet voldoende waren voor heiligheid, dat er daarvoor wonderen moesten zijn vastgesteld. De groep was het met haar eens.
Ik kocht een biografie, waaruit ik leerde dat Jef de Veuster in z’n jeugd een fanatiek kereltje was, dat alles op alles zette om Frans te leren en missionaris te worden.
In Parijs in de Rue Picpus, waar Damiaan verder werd geschoold, woonden de missiepaters Augustijnen. De straat heette zo omdat de paters in tropen pus prikten. Tenslotte reisde hij in de plaats van z'n zieke broer naar Hawaï.
Toen Damiaan in de leprozenkolonie op Molokaï aankwam ging hij niet - zoals afgesproken - na drie maanden weer terug maar begon orde op zaken te stellen. Een zieke leefde hier nog drie of vier jaar. Een dokter was er niet. Elke week vier of vijf begrafenissen.
Wie stierf werd voortaan begraven en niet meer door de wilde varkens opgevreten. Damiaan bestreed drank, gokken en het misbruik van jonge wezen.
En dan was er nog een concurrent, de Hagenaar Andrë Burgerman, die alle eer van de ziekenzorg voor zich wilde opeisen. Geen heilige, die André. Tenslotte gaven een artikel in een Amerikaans medisch tijdschrift en een boek over Damiaan van de Engelse Lady Brassey de doorslag. Mediabekendheid heeft de latere heilige geholpen het bizarre missie- en gezondheidsbeleid van de kerk te doorstaan.