De strijd die Willem van Genk voerde met J.H.Plokker - ironisch genoeg zelf een ambitieus amateur-schilder en lid van de Haagse Kunstkring - stond niet op zichzelf.
Van Genk was geplaatst op een sociale werkplaats. Dat betekende dat hij afhankelijk was van de directeur van de Dienst Geestelijke Volksgezondheid Dr. N. Speijer.
Die op zekere dag werd benaderd door J.J.Beljon, directeur van de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag en schrijver van nog steeds leesbare vormgevingsboeken als Zo doe je dat en Ogen open..
Er ontspon zich het volgende gesprek (1964):
'Beljon: Bij u op de sociale werkplaats verblijft voor volle weken ene Willem van Genk. Van Genk volgt onze zaterdagmiddagcursus maar wil meer; namelijk één middagje op wat hij de echte Academie noemt..
Ik denk dat wij hem daarmee gelukkig maken. Zoudt u hem een middagje vrij willen geven?
Speijer: Ik wist niet dat gelukkig maken tot de taak van een academiedirecteur behoorde. Begrijpt u niet dat u zich beweegt op een gebied waar u niet competent bent. Eén middagje vrij? Geen sprake van.
Beljon: Maar er mag toch wel aangenomen worden dat wij op de academie enig recht van spreken hebben als het gaat om begaafdheden en talenten?
Speijer: Laat mij niet lachen! Begaafdheden!! Ha! Ha! U bemoeit zich met zaken waar u niets mee te maken heeft. Zal ik u eens zeggen wat de geestelijke inhoud is van die Van Genk? Nul, nul.
Beljon: Als dat waar is dan ware het voor mij te wensen dat ook de inhoud van mij nul komma nul is.
(Speijer gooit hoorn op haak.)
(Beljon in een brief van 1-7-1998)