Toen de Haarlemmer Maarten van Heemskerk in 1532 in Rome kwam zag hij het surrealistische schouwspel dat meer beschreven is. Een ruinestad. Brokstukken van een beschaving, resten van reusachtige beelden en gebouwen met daartussen boerenakkers waar geoogst wordt.
Had je geld nodig dan groef je, je vond altijd wel wat oude munten. De antiekhandel bloeide, hij schilderde de opgraving van reusachtig antiek beeld. Hoe teken je een menselijk naakt? Je neemt een Romeins beeld en tekent het na. De resten liggen overal.
Mij doen zijn schilderijen - en de etsen door vooral Coornhert gemaakt van die verloren gingen - denken aan de Trümmersteden in het naoorlogse Duitsland. Er tussen herken je kerken, waaronder de voorganger van de Sint Pieter, kloosters, de Engelenburcht. Van Heemskerck zou er vier, vijf jaar blijven. Overdreef hij, als later Piranesi? Hij had een Colosseum-tic, tekende eindeloos de door onkruid overwoekerde resten. Dat verloren verleden bleef hij z'n leven lang bestuderen. Ovidius' Metamorfosen werd zijn bijbel.
In Boijmans is z'n werk nu te zien. Dinsdag in de Avonden loop ik er langs met Peter van der Coelen die de tentoonstelling maakte. Later meer.