Stel je het Parijs van 1889 voor, het jaar van de Wereldtentonstelling en de Eiffeltoren. Een stad vol vrouwen. Van brons, van steen, zoals ze op de Opéra of het Gare du Nord stonden of lagen - waar niet, ook aan de balkons hingen ze - en vooral, zoals ze stonden afgebeeld op de affiches die overal werden aangeplakt. Vrouwe Justitia verschilde nauwelijks van het meisje dat petroleum aanprees of de nijverheid verzinnebeeldde.
De uitvinder van het Franse kleurenaffiche was Jules Chéret, de lithograaf die in 1859 in Engeland ging werken en in 1866 terug kwam met het idee van muurschilderingen papieren straatkunst te maken: felle kleuren, dynamische compositie en altijd een Parijse jongedame in het midden, blond en aanlokkelijk terwijl ze je dartel een laxeermiddel of een opera aanbeveelt. Chéret begon een fabriekje in kleurenlitho’s en veroverde Parijs.
De meisjes werden al snel 'Chérettes' genoemd. Schrijvers en schilders waren enthousiast. Er kwam erkenning van Huysmans en Zola, van Rodin, Monet, Degas. Geen wonder, Chéret gebruikte behendig de nieuwe kunstlichtkleuren, zette in zijn droomwerelden mannen in de schaduw en de vrouw voor het voetlicht. In z'n composities zit altijd een opwaartse beweging, zijn vrouwen zweven tegen verglijdende luchten, wolken en nevels. Veel ontleende hij ook aan de Japanse prenten die in de mode waren.
Morgen na 22.00 in de Avonden meer over 'La belle Époque de Jules Chéret (1836-1932)', in het Brusselse Museum van Elsene.