Vanmiddag zocht ik hier in Brussel naar iets wat – zo leek het - al zoekende steeds verder uit zicht raakte. Het ging om een café waar ik lang geleden eens een middag lang had gezeten.
Ergens in de voorstad St.Gillis, zoveel wist ik nog. Maar al wat ik nu zag waren lange straten met luxe 19de eeuwse huizen. Veel Art Nouveau, net als het café dat ik me steeds precieser herinnerde. Maar waar was het?
Van zoeken wordt wel gezegd dat je het niet moet doen. Het zou beter zijn het brein ongestoord door domme zoekdrift z’n werk te laten doen. Vanmiddag naderde ik het opgeven en misschien heeft dat geholpen. Opgeven is een sacrale daad, het laten varen van alle hoop is dan niet ver meer. Misschien heeft de parkbank waarop ik uittrustte geholpen. Het zou kunnen dat ik op die zelfde plek zat, tien jaar geleden en dat mijn brein een cartografisch moment heeft vastgehouden: als dit hier, dan dat daar.
Hoe ook, in wat ze een opwelling noemen stond ik op en liep twee hoeken om, recht naar het gezochte café. Het mooiste van Brussel. Het was er nog, precies zo, terwijl het in mijn geest al een dichtgetimmerde bouwval was geworden. Geen monument in de boenwas, en vol doodgewone drinkende klanten. Met de juiste graad van afgetraptheid. De pleedeur van La porteuse d’eau klemde op precies de goeie manier, al bijna honderd jaar.’
Mocht ik foto’s maken?
‘Je doet maar.’