Vanwaar toch die teleurstelling na mijn eerste bezoek? Eerst buiten de veelbelovende enorme glaspartij, de badkuip, die erepoort en de bemoedigende hal vol licht waar de handel en het eten heersen. En dan, na zoveel bombarie is het ook meteen uit met de pret.
Je betreedt het onwezenlijke halfduister van de oudbouw, die 19de eeuwse Rijks-HBS, die gesloopt had moeten worden. Schemer. De verbouwers hebben de op buitenlicht bedachte Kunsthal van Koolhaas of het Gemeentemuseum van Berlage kennelijk nooit gezien. De schaarse oude ramen blijven ongebruikt, de bovenlichten zijn niet heropend. Niets van het lichtbad achter het gevelglas dringt hier door. En het kunstlicht is merkwaardig indirect. Een tombe. Waar is het licht, dat er vroeger toch wel was, gebleven?
In een poging iets goed te maken zijn alle muren akelig wit geschilderd, dat het prikt in je ogen. Doods licht in een eindeloze reeks identieke zalen, waar de klassieken - schools chronologisch op al te afgepaste afstanden - in plat vallen. Zo doe je een Cezanne, een Bonnard, een Dubuffet geen recht. Als het dan toch bleef staan had dit een huis kunnen zijn met vele kamers, elk in een eigen kleur. En met uitzicht.
Later meer.