Zag in Boijmans een stapeling van rariteiten onder de kop die 'Overvloed' betekent.
Hier Ceres, godin van de overvloed, ook wel Abundantia genoemd, door Jan Saenredam, vader van, naar Goltzius (1596). Korenaren in d'r haar, hoorn des overvloeds onder de arm, de hand in de schoot waar ze zich met het heft van een sikkel bevredigt. Plotselinge overeenkomsten met de zwoegende, blozende kolchozenvrouwen van het Sovjet realisme. Vader Jan heeft heel wat erotische prenten gemaakt.
In de rij dwaze cliché's uit de renaissance komt voor mij kort na de Vanitas (doodskoppen, tot gapens toe, 'niet zo ijdel jij, je bent sterfelijk', alsof ik dat niet wist) toch de Vruchtbaarheid. Niet bezongen door boeren, zoals op de plaatjes, maar door gezeten burgers die hun rijkdom vierden met kunst aan de muur. In Rotterdam hangt nu het doek van de Wener Hans Makart, die het in 1870 nogeens breeduit overdeed, geflankeerd door stillevens van luxe maaltijden uit alle eeuwen.
Het probleem met Abundantia is dat we in een heden leven waar het 'geen gezeik, iedereen rijk' waarheid is geworden. Een volk dat leeft in overvloed klaagt over koopkracht, en bezuinigt op kunst.